Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zat het hier in de lucht om te streven naar „gemeenschapskunst". De kunst, zeiden velen met hem, moest wortelen in den bodem van leven en maatschappij.

Historisch, als verzet tegen de wel eens wat heel subjektieve bteratuur van eenige Tachtigers, is de houding van deze gemeenschapsapostelen begrijpelijk, lofwaardig misschien. Maar, desniettemin getuigt hun leer, welke men een „dwang"- of ,,moet"-theorie zou kunnen noemen, van een reusachtig misverstand. De kunstenaar laat zich geen voorschriften geven, geen richting opdringen door zijn vakgenooten. Als er sprake is van een moeten, dan is dit enkel en alleen, dat hij zich naar eigen aard heeft te ontwikkelen en naar eigen aard uit te spreken. Elke dichtsoort op haar wijze is goed. Maar vóór de dichtsoort en den dichtvorm is er de dichter zelf. Niet het quantum „maatschappij" in zijn verzen besbst over zijn beteekenis, maar de mate, waarin hij ons lezers datgene vermag te doen voelen en te doen zien, wat uit zijn bezielde Onbewustheid als schoonheid geboren is. Zoo is het dan verkeerd, eenigszins uit de hoogte op het echte lierdicht neêr te zien, zooals sommigen hier te lande meenden te moeten doen, nadat zij er zich van hadden afgewend om „te luisteren in den horen der menschheid". De „gemeenschapsdichters" zelve mogen in hun vertrouwen op eigen richting en overtuiging afwerend staan tegenover de anders-aangelegden; de literatuur-genieters en -beschouwers zullen het recht der persoonlijkheid blijven erkennen en zich erover verheugen, dat er in het huis der Muze verschalende woningen zijn. In dit huis heeft Willem Kloos een onvervreemdbare plaats. Hij is er samen met vele anderen en zeer machtigen: Sappho en Horatius, Ronsard en Baudelaire, Bredero en Verlaine, Boutens, Novabs, Gezelle, Shelley en Herman Gorter, en bovendien nog met een groot aantal anderen, die zich van de pure lyriek hebben afgekeerd, incidenteel of voor goed, en toch in hun wezen lyrisch zijn gebleven. Want Jorter en Mevrouw Roland Holst in hun profetische zangen, SheUey ■n zijn epische en dramatische vizioenen en hoevele anderen! projecteeren in hun kunst niet anders dan zich zelve en zijn dus evenzeer lyrisch als die dichters, welke louter over de lotgevallen van hun eigen hart ontroerend hebben gezongen.

Wat onderscheidt nu de lyrische dichters van de andere groote groep: de scheppers van drama en epiek? B.v. Shakespeare, Milton, Vondel, Mobère, Dante, Aischulos, De Balzac, Stendhal, Couperus enz., enz. Het is dit: dat hun verbeelding niet meer dan betrekkelijk is. De verbeelding en de beeldspraak van de lyrische dichters staan in

Sluiten