Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zich hol voordoet, maar dat het van buiten beschouwd zich bol vertoont. Wat hier geschiedt, n.1. dat eenzelfde ding zich in tegengestelde hoedanigheid vertoont als gevolg van de omkeering van de richting van beschouwing (vanuit een punt divergeeI rend, of naar een punt convergeerend) datzelfde geschiedt, meen ik, wanneer wat ik heb genoemd de g edachterichting wordt omgekeerd. Ook dan komen we tot schijnbaar volkomen tegengestelde hoedanigheden van datgene waarop ons denken gericht is. Als wij over het hoofd zien, dat wij in een bepaald geval als het ware „divergeerend", „naar buiten" denken en in een ander geval „convergeerend", „naar binnen", dan zullen wij er ons over verbazen, dat een schijnbaar onoplosbare paradox ontstaat. Bedenken wij echter, dat wij onze gedachterichting hebben omgekeerd, dan is alles duidelijk. Zoo verbaast men er zich b.v. vaak over, dat eensdeels onze wil vrij blijkt te zijn en anderdeels alles gedetermineerd, beschikt blijkt te wezen. En men ziet niet, dat de vrijheid van de wil en de volledige voorbeschikking in wezen een en hetzelfde zijn. Dat slechts vrije wil het vanuit het „ik-punt" uitwaarts gedachte eii voorbeschikking het van uit het Al naar binnen gedachte van hetzelfde wezenlijke is.

Welnu, om op de twee aspecten van opvoeding terug te komen: Mijns inziens is het einddoel: „de mensch als zichzelf geworden persoonhjkheid, als zich naar aard en aanleg ontwikkelend individu, door innerlijke tucht gebonden" hetzelfde als dat andere waarover ik zooeven al sprak: „de mensch als deel van het groote geheel, de mensch dus ook als gemeenschapswezen."

Als ik het zoo stel blijkt eigenaardiglijk meteen, dat wij bij de behandeling van dit tweede aspect van de opvoe-