Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. DE PLAATS VAN HANDENARBEID.

De vraag welk werk de kinderen zullen doen is natuurlijk een gewichtige; maar belangrijker nog is de overweging, waaróm zij een bepaald werk zullen ondernemen.

Er bestaan klaarblijkelijk verschillende motieven tot arbeid. Zeer veel werk wordt door kinderen eenvoudig gedaan „omdat het moét": Vader of meester heeft het gezegd, „en daarmee uit". Een belangrijke hoeveelheid wordt verder gedaan omdat kinderen weten, dat zij dit werk noodig hebben om door een examen te komen. Wij weten, hoe nuchter-zakelijk vooral in middelbare scholen door leerlingen veelal wordt uitgerekend, wat zij „noodig hebben" en wat zij „kunnen laten schieten": als een vak geen examenvak is, wordt het dan dikwijls verwaarloosd en soms wordt een begrooting opgemaakt van de „onvoldoendes" die verwacht worden en in verband daarmee wordt geconcentreerd op bepaalde vakken en worden andere als „toch hopeloos" genegeerd.

Iedereen is het er wel over eens, dat zulke motieven tot al of niet arbeiden niet bepaald wenschelijk zijn.

Toch is het in de praktijk zeer moeihjk het eenvoudige „moeten" en het „noodig-hebben-voor-een-diploma" geheel uit te schakelen. En bovendien zou ik het ook niet eens willen, want eensdeels geloof ik niet, dat het goed is als kinderen alleen maar doen waar ze „zin in hebben," omdat het Leven nu eenmaal eischen stelt aan de mensch, ook eischen van werk, wil hij blijven leven; en anderdeels geloof ik, dat het voor een kind veel te zwaar is om dag-