Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mogelijk moeten werken; evenzeer, dat wij de kinderen voortdurend moeten leeren, dat de tijdsfactor ook meetelt: dat 't niet voldoende is als 't werk goéd gebeurt, maar dat het ook in een redelijke tijd moet worden afgemaakt. En tóch ben ik overtuigd, dat de paedagogische voordeden van dat zoo typisch kinderlijke „prutsen", dat de kinderen soms met zoo intense arbeidsvreugde kunnen doen, zóó groot zijn, dat we ze in bepaalde gevallen rustig door mogen en moeten laten gaan totdat ze, naar hun eigen idee, hun wonderproduct klaar hebben. En als ze dan, al is het met veel te veel zweetdroppels, met een scheef hoofd er liefkoozend naar staan te kijken, dan moeten we maar niet laten merken, dat voor een paar stuivers een machinaal uitgebraakt artikel gekocht had kunnen worden, dat gladder afgewerkt zou zijn en misschien zelfs iets gemakkelijker in het gebruik, maar dan zullen we allemaal met een zekere piëteit steeds die schop of die houten hamer blijven gebruiken, en dan zullen we in later jaren tegen elkaar zeggen „weet je nog wel, dat heeft die-of-die nog gemaakt." Net zooals in een gezin waar de fijne waarden nog leven, bepaalde onooglijk uitziende voorwerpen met teederheid gehanteerd worden, omdat ze nog „door grootmoeder gebruikt zijn."

Uit wat ik hier het laatst gezegd heb, kan wel worden aangevoeld, hoe, als zoo vrij gewerkt wordt, de arbeidsvreugde en daarmee vaak ook de poëzie in het werk terugkeert. Het is dikwijls zoo'n heerlijk gezicht om de kinderen bezig te zien op zoo'n handenarbeid-middag. In kleine groepjes, elke groep onder leiding van een volwassene, wordt er gewerkt in de moestuin, de bloementuintjes van de kinderen, getimmerd, genaaid, gebeitst, geplakt — het is dan een en al bedrijvigheid. En dan zeggen wij wel eens tegen elkaar: „dat moesten menschen