Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het pakje werkkaarten, dat hij' moet doorwerken.

De eerste kaart geeft dikwijls een „gebruiksaanwij-, zing". Daarna volgt een kaart met een gouden rondje, (de „werkstukkaart") waarop staat, welk werkstuk gemaakt moet worden gedurende de heele periode van voorbereiding. *) Dan komt de „leermiddelenkaart" kenbaar aan een rondje in de kleur van de vakgroep en daarna volgen de schriftelijk-werkkaarten, de ,,doe-kaarten", de „leerkaarten", waarop omschreven staat welk werk gedaan moet worden. Zoo nu en dan is een kaart voorzien van een gouden ster. Dit beteekent, dat op dat moment de werker wordt aangeraden hulp te vragen aan een van de medewerkers, daar waarschijnlijk iets moet worden uitgelegd of verklaard. Op deze wijze komen de kinderen van zelf bij de leerkrachten op de momenten, waarop te verwachten is, dat zij alleen niet verder voort kunnen.

Men denkt misschien dat dit systeem door de kinderen als een knelling gevoeld wordt. Ik geloof het niet. Integendeel, ik hoor soms een werker op deze wijze tot een ander praten: „zeg, ik heb al eens gekeken wat ik voor m'n volgende proef moet doen. Zoo leuk, nou moet ik de krant lezen over wat er in één speciaal land gebeurt en daarover uitknipsels verzamelen en in een plakboek plakken. Dat is dan wel een voorschrift, maar de werker blijft vrij in de keuze van zijn onderwerp. En zoo nam dan bijvoorbeeld één werker de gebeurtenissen in Frankrijk, een ander die in Oostenrijk. En de plakboeken met de uitvoerige verhandelingen over de gebeurtenissen met ^e bijgevoegde illustraties gaven blijk van de groote

*) Op latere kaarten wordt zoo nu en dan de vraag gesteld: „hoe staat het met je werkstuk?" of „is je werkstuk al af?", om te verhinderen dat het werk voor het werkstuk op het laatst zou moeten gebeuren.

9 Kindergemeenscbap.