Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een andere als bij de vreemde talen, want in de eigen taal is het kind of de mensch de taal, zooals die in zijn omgeving gesproken wordt, door directe assimilatie al meester vóór de studie begint, terwijl dit bij de vreemde talen niet het geval is. Dit heeft tengevolge, dat wij wel een gelijke werkwijze voor de verschillende vreemde talen (wel te verstaan levende talen) kunnen ontwerpen, welke dan moet worden aangepast aan de eigenaardige moeilijkheden of eigenschappen van elke taal, maar dat deze werkwijze wezenlijk zal moeten afwijken van die voor de moedertaal.

Wat alle gesproken talen gemeen hebben is, dat er een beperkt aantal elementen is waarvan de mensch zich bedienen kan als hij zich door middel van „taal" uiten wil. Deze bouwsteenen waarvan elke taai-uiting zich bedienen moet zijn, lijkt mij, de volgende:

1 0. het gebaar, met in het bizonder de gelaatsuitdrukking. (Een zin kan b.v. een geheel andere, ja een tegengestelde beteekenis krijgen, doordat hij van een knipoogje vergezeld gaat).

2°. de frequentie van de trilling der stembanden, dus de toonhóogte. Wat deze „tonetiek" betreft, merk ik op, dat een baby vaak heele zinnen intoneert, vóór hij zich van de andere taalelementen bedienen kan. Ook dat een zin door een andere intonatie volkomen van beteekenis veranderen kan, ja, dat de beteekenis er door kan omkeeren. 1)

1) Zoo kan de zin: „Hij zou het niet gedaan hebben!" even goed beteekenen, dat hij het zeer zeker niet gedaan zou hebben (als het accent op „hij" en „niet" gelegd wordt) als dat hij het zeer zeker wèl gedaan heeft (als men de zin uitspreekt op een toon van „och kom, ik weet wel beter!") Op de opheldering

goed ^V1^ "ZOU hij het §edaan hebben" kan dus even >.ja als „neen" geantwoord worden!