Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3 °. de klanksoort en de soorten geruisen, die door verandering van de resonansholte en door het schuren van lucht door verschillende spleten wordt teweeggebracht (phonetiek).

4°. de amplitude van de geluidstrilling, dus de geluidssterkte. Hierbij kan tevens gedacht worden aan het verschil tusschen het spreken (met trillende stembanden) en het fluisteren (waarbij de stembanden niet trillen).

5°. de tijdlengte gedurende welke de klanken enz. worden aangehouden (rhythmiek en tempo).

Nu vind ik het altijd zoo eigenaardig, dat wij, toen wij onze gesproken taal zijn gaan opschrijven, — wat natuurlijk evenzeer eenmaal voor het eerst geschied moet zijn als dit het geval is, wanneer in onze dagen een zendeling de gesproken taal van een of andere stam in de binnenlanden van Afrika in letterteekens weergeeft —, ons bijna uitsluitend bepaald hebben tot het schriftelijk weergeven van punt 3. Wel hebben we een paar teekens, die we als accenten op woorden plaatsen óm de „klemtoon" uit te drukken, en zetten we nu en dan een vraagteeken of een ui troepteeken. En vaak wordt dan nog wel geleerd, dat „bij een vraag de stem naar boven moet gaan," alsof we niet even goed vragen maken met neergaande stem („denk nu eens goed na: waarom doe je dat?").

Wat het Ie punt betreft: het gebaar wordt alleen in tooneelstukken tot op zekere hoogte aangegeven.

Bijna altijd moeten we het maar raden, en het gevolg is dan vaak, dat het ons bij het lezen van schriftelijke taal volkomen ontgaat, als bijvoorbeeld iets ironisch gezegd wordt. Wie zal zeggen hoeveel misverstand hierdoor