Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

denken.

Bij de tweede, steeds aan belangrijkheid winnende rubriek „taal" komen vele werkzaamheden, die met ons gemeenschapsleven in verband staan, zooals het schrijven van het dagboek, van brieven namens alle werkers, van de minuten van de Bespreking, van voorwerpstudies en andere artikelen voor de Werkplaats-encyclopaedie, van leesboekjes voor de kleintjes enz.

Ook wat de mondelinge taal aangaat zijn er verschillende dingen die van de kinderen gevraagd worden, welke in betrekking staan tot het leven in de Werkplaats: b.v. vertellen na voorbereiding, later onvoorbereid; het houden van een inleiding in de Bespreking, ook namens een ander, die een onderwerp besproken wenscht; het houden van een inleiding over een of ander onderwerp met discussie, enz. Het is natuurlijk onmogelijk hier verder op in te gaan.

Bij de vreemde talen (levende) hebben we telkens 10 proeven, waarvan de eerste heet: „hooren", de tweede „spreken" de derde „lezen I" en de vierde „lezen II". Pas daarna volgt „leerboek I" met grammatikale oriënteering. Dit typeert de wijze van behandeling. Eerst moeten de kinderen veel en zorgvuldig hooren en daarna de tonetische, phonetische en rhythmische eigenaardigheden zoo getrouw mogelijk copieeren. Feitelijk moesten zij ook de gebaren nadoen, want hoe kan je goed Fransch spreken zonder je handen te gebruiken, hoe goed Engelsch als je niet eerst geleerd hebt om je gezicht in die typische houding van flegmatieke onverstoorbaarheid te knijpen, en hoe goed Duitsch als je niet eerst in de houding staat! Maar speciaal belangrijk is de tonetiek. Want Engelsch is geen Engelsch, Fransch geen Fransch als het op Hollandsche wijze geïntoneerd wordt.