Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan ons bekend zijn, vooral voor de kinderen meestal onzichtbaar, omdat dezen vroeger naar bed gaan dan wij volwassenen; maar de kinderen zien enkele er van toch vaak genoeg aan de hemel schitteren, en ik geloof dat zij een veel grooter plaats in ons denken moesten innemen, dan thans meestal het geval is. Het kan toch niet anders, of het moet verarmend werken op ons gedachteleven als wij bijna voortdurend, zooals de meesten onzer doen, het bestaan van vrijwel de geheele werkelijkheid eenvoudig vergeten en ons blind staren op het oneindig kleine deel er van, dat thans onze onmiddellijke omgeving uitmaakt.

Bij de indeeling van de 10 proeven die wij voor dit vak hebben ingesteld, beginnen wij met „zon en maan", waarbij de kinderen door eigen waarneming de schijnbare; beweging van deze beide hemellichamen moeten nagaan. Daarna volgt „de sterrenhemel" met de voornaamste sterrenbeelden. Dan volgt de proef „hemelbol I", waarbij de sterrenbeelden van de dierenriem geleerd worden en opgemerkt wordt dat de maan en de planeten altijd in deze sterrenbeelden staan. Pas daarna komt „de draaiende aarde" waarbij we de groote overgang maken van de schijnbare tot de werkelijke beweging. Bij de eerste proeven komen de oude mythen over de hemellichamen naar voren, en bij „de draaiende aarde" natuurlijk namen als Ptolemaeus, Copernicus en Galilei. Dat het noodig is de nadruk op deze dingen te leggen, bewijst wel het feit, dat zelfs in onze dagen in een organisatie als de „Christian Catholic Church" in Amerika, die over de geheele wereld enthousiaste aanhangers telt, nog steeds door de „general overseer" wordt geleeraard, dat de aarde plat is en stil staat!

Wat de oriënteeringsperiode betreft, deze valt bij dit vak in twee gedeelten uiteen: Eerst moeten de kinderen