Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elkaar passen en die maken dat automatisch de 2e klinker a, u door het bovenste kaartje wordt afgedekt. Het kind probeert nu één voor één de dekkaartjes en als hij een woord krijgt dat beteekenis heeft, schrijft hij het in zijn schrift. Zoo zal hij in bovenstaand voorbeeld de woorden „laten, baten, vuren, baren" kunnen vormen. " Het „woordenschatbakj e". Dit is een bakje, met een aantal blokjes, waarop minder bekende woorden geschreven staan. Deze moeten gelegd worden naast korte omschrijvingen, zooals die in woordenboeken gegeven worden, welke onder elkaar op een lijst staan. Op de achterkant van de lijst staat de controle. De kinderen maken deze bakjes en lijsten zelf. Zij dienen natuurlijk ter verrijking van de woordenschat.

De „w o o r d k u b u s". Een kubusvormige doos met 5 bakjes. In elk bakje zijn een aantal plaatkaartjes en blokjes, waarop de namen van de voorwerpen op de plaatjes afgebeeld geschreven staan in een vreemde taal. Controle op de achterzijde van de plaatkaartjes.

De „zinnenkubus"; zelfde inrichting als de woordkubus. Alleen staat op elk blokje nu een klein zinnetje ter omschrijving van een van de plaatjes.

Het „werkwoordkaartj e", een kaartje dat als een mapje kan worden dubbelgevouwen. Op de linkerkant staan dan vormen als je donn, tu donn enz. onder elkaar. Bijgevoegd zijn strookjes waarop de uitgangen: e, es, e, ons enz. staan. Deze strookjes moeten dan op de réchterkaart (dus rechts van het ruggetje) worden neergelegd. Is dit gedaan dan wordt het mapje weer toegeklapt en onderstboven gelegd. Op de rug loopt dan diagonaalsgewijs een lijn over alle strookjes, als ze in goede volgorde zijn neergelegd.

De „klapkaart". Dit is een groote kaart (folio-