Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pier gespannen is.

De toestel waarvan ik uitga is de „handelingentoestel", hoog 62 cm., *) breed 48 cm. In het midden is een ronde opening van 13 cm. diameter, waarachter een vierkant karton geschoven kan worden. Op zoo'n karton staat een afbeelding die een bepaalde handeling voorstelt: zingen, eten, loopen, schrijven enz. (Zie afb. p. 193).

Laten we dit aan kinderen zien, dan kunnen we hen dadelijk laten voelen, dat wij nog moeten aangeven wiè die handeling verricht. Wij zetten daarom een tweede kastje links van de handelingentoestel. Dit is de „v e rrichter van de handelin g". (Later pas vertellen we de kinderen, dat men dit ding het „onderwerp" noemt, wat zij niet zoo licht aanvoelen kunnen, omdat 't niets met „onder" en ook niets met „werpen" te maken heeft). Is hier een plaatje van een jongen ingeschoven, dan blijkt, dat we weer iets moeten definieeren: is het „de" jongen, of „een" jongen, of zijn het er misschien meerdere? Is het déze of die jongen of mijn jongen? De kinderen voelen de behoefte aan het invoeren van zulke verder-bepalende begrippen. En of dat „mijn" van „mijn jongen" nu door een woord, dan wel door een achtervoegsel wordt uitgedrukt (zooals bij het Arabisch), doet niet ter zake.

Voor zoo iets voeren we dan een eenvoudig symbool m, dat op zoo'n draaiende trommel geteekend staat. Als we dan weten, dat er iets staat van „de jongen" en „zingen", dan voelen de kinderen dadelijk, dat we nog niet genoeg weten: het kan zijn „de jongen zingt," maar even goed „de jongen heeft gezongen" of „zal zingen"

*) De meeste taaitoestellen hebben deze hoogte.