Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of „zong".

Ook hier voelt het kind dus dat er iets verder gedefinieerd moet worden. De behoefte ontstaat (zoo zeggen wij ouderen het tot elkaar) aan symbolen voor de „tijden" van het werkwoord.

Hebben we als handeling „eten" genomen, dan kunnen we een ander kastje rechts van de handelingstoestel zetten, waarin we als plaatje een appel kunnen zetten en we kunnen dan deze zin maken: de jongen eet de appel, en zeggen, dat de appel die handeling van het eten ondergaat. Wij noemen daarom dat kastje de „ondergaander van de handeling."

Zijn we zoo ver gekomen, dan kunnen we met behulp van betrekkelijk zeer weinig afspraakjes een enorme verscheidenheid van zinnetjes maken, die de kinderen van die vervoegbare en verbuigbare hiërogliefen kunnen aflezen. ^Ül Wij hebben een groote collectie handelingenkaarten en kaarten voor zelfstandigheidsuitdrukkingen, (waaraan de kinderen steeds, als werkstuk, nieuwe toevoegen) en deze kaarten staan in alphabetische volgorde. Hiermee kunnen wij al dadelijk een zeer groot aantal combinaties maken.

Gaat dit vlot — en gezegd moet worden, dat kinderen met zulke symbolen in den regel minder moeite hebben dan vele volwassenen — dan kunnen we verder gaan, en de vraag stellen, wanneer de handeling en waar deze verricht werd, of wordt, of worden zal.

Wij voeren dan een nieuwe toestel in voor de t ij d sbepaling (kenbaar aan de zandlooper die er op geschilderd is) en een voor de plaatsbepaling van de handeling.

Nu kunnen we al een zin als deze in symbolentaal zichtbaar maken: „Gisteren hebben onze jongens in de