Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sten bewijst, is het „8 c h u i v e r t j e". *) Dit is een hard-houten latje, waarin in eikaars verlengde een korte en een lange groef is aangebracht. Een blokje dat met een klein knopje stevig vast gehouden.kan worden, kan in een van de twee groeven worden gelegd en kan dan heen en weer geschoven worden. Aan beide uiteinden van de groef stoot het tegen het einde er van. Aldus kunnen wij verschillende rhymmische figuren tikken, melodietjes natikken enz. De korte groef wordt gebruikt voor een snel tempo; de lange voor gedragen passages. Het glijden door de groef geeft een symbolische weergave van het voortduren van de toon. L^^hard-exacte stootpunten van het blokje aan beide uiteinden van de groef markeeren — wat zoo noodig is — even scherp het begin als het einde van elke noot.

Om vertrouwd te raken op het toetsenbord van de piano, hebben we de „opgerolde piano", een soort gezelschapsspel, waarbij de 7 octaven van de piano in een cirkel zijn omgebogen. Met dobbelsteenen wordt geworpen, op welker zijvlakken de notennamen, of wel intervallen staan. Ieder heeft vóór zich een „toetsenkaart" met de toetsen van 1 octaaf, die door een klep kan worden afgedekt. Een halma-mannetje wandelt nu de piano rond. Als „fis" geworpen is, zet ieder kind op zijn toetsenkaart een schijfje, waar hij denkt dat het staan moet. Dan worden de kleppen omgeslagen en het resultaat gecontroleerd. Wordt bij een latere oefening met 2 dobbelsteenen een + en een „kleine terts" geworpen, dan zetten allen hun schijfje op de noot die een kleine terts hooger is dan de noot die zij pas gehad hadden. Een aan een zijde uitgehold reepje karton, waarop de verschil-

*) Uitgegeven door de W. G. B.