Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tieve steun en de verstandig-gemobiliseerde en productief-gemaakte arbeidskracht van de kinderen zelf, waardoor ik geloof, dat het plan werkelijk praktisch uitvoerbaar is.

Als er eenmaal een complex was van 10 paviljoenen, liefst vlak bij elkaar gelegen op een terrein van bijvoor-, beeld 2 H.A., zou natuurlijk meer dan ooit het geheel 1 moeten steunen op het productieve werk.1) Verder stel ik mij dan voor, dat elk van die paviljoenen een bepaalde bestemming zou krijgen, of liever een bepaald accent. Als de ervaring ons leeren zal — wat mij niet onmogelijk lijkt — dat het goed is de jongste kinderen (3—7 jaar) bij elkaar te houden, zou een van de paviljoens als „voorbereidend paviljoen" daarvoor worden afgestaan.

Verder zouden de overige paviljoens elk speciaal geoutilleerd kunnen zijn voor het beoefenen van vakken van een bepaalde vakgroep. Wel zouden ook alle andere vakgroepen er vertegenwoordigd zijn, maar het accent zou liggen op die eene bepaalde groep.

In het „paarse" paviljoen zouden dan speciale faciliteiten zijn voor studie en werk in de paarse vakken, dus lichaamsoefening, handenarbeid van allerlei soort, muziek, tooneel, teekenen en andere beeldende kunsten. De

inbegrepen, 42B ct. per kind per dag kostte- en dat een van onze eigengemaakte stoelen de Werkplaats 65 ct. kost. Dit z\jn toch wel cijfers die spreken.

*) Daarom zullen de kindergemeenschappen buiten de groote steden moeten liggen. De kinderen zullen met autobussen, trams of treinen, particuliere auto's en fietsen iedere dag uit de stad naar buiten moeten trekken (iets wat op zich zelf een voordeel is). Dat dit probleem onoverkomelijke moeihjkneden zou opleveren, geloof ik geen oogenblik. Wat in deze gedaan kan worden, blijkt uit het geregelde vervoer van schoolkinderen naar „buitenscholen" van uit verschillende groote steden (b.v. Oxford).