Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIV. GEESTELIJKE ACHTERGROND. *)

Natuurlijk moet er een geesteüjke achtergrond zijn: Niemand moet zich begeven in opvoedend werk, die niet stil heeft nagedacht. Hoe anders zal hij er toe kunnen bijdragen, dat ook de kinderen die aan zijn zorg zijn toevertrouwd leeren denken? Want denken is toch wel het belangrijkste van alles wat zij moeten leeren?

Niemand moet zich begeven in opvoedend werk, die zich niet geestelijk verdiept heeft. Ja, ik wil verder gaan, en zeggen: niemand behoort er in.te staan, die nietjeJlr gieus leeft.

Dat ik dit woord „religieus" in een zeer ruime beteekenis gebruik, zal, hoop ik, na wat hierboven al gezegd is, wel niet uitdrukkelijk behoeven verklaard te worden.

Inderdaad: volledige verdraagzaamheid en eerbiediging van het geloof en de overtuiging van allen is vanzelfsprekend een van de eerste grondslagen van het gebouw dat moet worden opgetrokken.

Deze eigenschappen zullen van zelf ontstaan daar, waar het relatieve aller dingen wordt beseft. Wanneer wij nog verlangen of verwachten, dat alle menschen over alle dingen zullen gaan denken net als wij zelf, zijn wij ongeschikt voor dit werk. Wij moeten beginnen met ons neer te leggen bij de groote realiteit, dat er oneindig vele verschijningsvormen zijn op alle terrein, en dat elk van deze

*) Het spreekt van zelf, dat wat ik hier schrijf slechts weergeeft, wat ik, zuiver persoonlijk, zie als bestaande en dus ook mogelijke geestelijke achtergrond van het werk, en dat het geenszins gezien moet worden als eisch of karakteriseering voor allen die het werk dragen.