Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn rechtvaardiging vindt in zijn existentie.

Jezus toonde zich voor alle tijden de groote relativist toen hij het uitsprak: „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt" en aanvaardde de ontzettende consequentie van dit kosmisch besef, toen hij tegelijk het lijden van de lijdende en dat van degene die het leed berokkent als onvermijdelijk liet zien in het groote woord: „Er moeten wel ergernissen komen; doch wee dien mensch, door wien de ergernis komt."

Tegelijkertijd is dit woord een duidelijk voorbeeld van de boven besproken synthese-in-het-gebeuren van de objectieve gedetermineerdheid en de subjectieve verantwoordelijkheid.

Deze dingen zijn wel fundamenteel. Ook het zien van alle dingen als één geheel, dus de monistische denkwijze, leidt als van zelf tot praktische uitwerkingen als in dit boek beschreven.

„Tel maïtre, tel valet" — Hij die het Al in tweeën ziet, met een buiten de wereld regeerend God, die straft met hel, en met hemel beloont, die strijdt tegen een duivel of tegen het kwade, kan niet anders dan in zijn opvoedingswerk dezelfde tweeheid scheppen. „Zeg mij, hoe uw Godsbegrip is, en ik zal u zeggen wie gij zijt", is een zeer waar woord. Ons doen en ons zijn, het wordt door ons Godsbeeld bepaald. Als wij gelooven in een God die beveelt, zullen wij bevelen, en de kinderen zullen gaan bazen over elkaar; en conflicten zullen komen. Tevens zullen de kinderen vroeger of later komen te staan voor de groote problemen van „het kwaad", van het wereldleed, van het „wereldbestuur Gods", en zij zullen er door verbijsterd worden.

Zien wij echter het Al als een Geheel, waarin alles zijn eigen plaats inneémt en zijn functie vervult, relatief be-