Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JlB£EE DINC

Afb. no. 5.

Teekening, zich bevindende in het Gemeente-Archief, van de door den binnenvader en binnenmoeder geschonken glasruiten. ')

den. Daarvoor zijn in 1698 gronden aangekocht van het slot Honingen, zonderdat deze tot het bouwen van een Pesthuis zijn benut. Het heeft tot 1711 geduurd, alvorens tot den bouw van een nieuw Pesthuis werd besloten; daartoe werd gekozen het eiland Feijenoord. Vijf jaren daarna, dus in 1716, was het huis gereed, doch het is nooit als Pesthuis gebruikt geworden. In het tijdvak 1747—1750 heeft het, tijdens de troe-

1) De ontboezeming van den binnenvader in het links-afgebeelde raam is als volgt:

Als men schreef zestien honderd twintich vier, in April

Heeft de Almogende God deese stad, nae synen wil

Met een gantsche heete sieckt' en swaere pest besocht,

Zoodat er in dit huis vervolgens zijn gebrocht

Acht honderd personen en vijf en tachtig,

Waarvan zijn geneesen door Gods hulpe krachtig.

Vierhonderd veertig twee en één meer overleeden.

Haar namen vindt men nog in 't huisregister heden.

Doch Anno zes en twintich in Juni waren wij

Hiervan ganschelijk bevrijd. Vrouw weest dankbaar met mij.

De binnenmoeder antwoordde daarop in het rechts afgebeelde raam: Nu man ik ben bereid met U Gods gunst te roemen, En hem alleen ons heil en toeverlaat te noemen. Hij was ons troost en hulp in die benouden tijt, Hij gaf ons lytsaemheyt en heeft ons na bevrijt Godts welverdiende roe heeft er hier veel doen sneven, En syn genade gaf veel buyten hoop het leven, Eere sy onse Godt, die slaet en weder heelt: Hij doot en door de dood, dooden hij 't leven deelt, Die zijn goedheit vernieuwt ons mensche alle morgen, En steeds ons sacken vult, ook wel sonder onze zorgen.

Sluiten