Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beien in die jaren, nog dienst gedaan als lands-hospitaal. Ook is het nog afgestaan geweest aan de Raden van de Admiraliteit voor de „bewaring" van Engelsche gevangenen. Toen de stad in 1812 weer de beschikking over het gebouw kreeg, werd het tot 1816 als fabriek verhuurd. Ten behoeve van deze fabriek leverde het Armhuis de werkkrachten. Daaroo volgden nog eenige verhuringen tot in 1866 het gebouw werd verkocht.

Zooals uit het bovenstaande blijkt, liep de geschiedenis van het Pesthuis en het Dolhuis, wat de huisvesting betreft, samen tot 1716. Na 1716 was het gebouw aan de Hoogstraat uitsluitend Dolhuis.

Vóór den bouw van het nieuwe Pesthuis in 1599 geschiedde de verpleging van geesteszieken ook wel in andere godshuizen, o.a. in het Leprooshuis en het Gv>ote Gasthuis. Omdat deze huizen, niet voor deze verpleging waren ingericht, had in den regel de opneming niet zonder protest plaats.

Eerst in 1609 is een besluit genomen om voor de verpleging van de krankzinnigen bijzondere maatregelen te nemen. Wanneer men in aanmerking neemt hoe op dit oogenblik de krankzinnigen worden verpleegd en gehuisvest, dan doet t wel eenigszins vreemd aan te lezen, dat de nieuwe maatregel slechts bestond in het bouwen van eenige kleine huisjes achter het toen pas gebouwde Pesthuis in het Oosteinde van Rotterdam aan de Kipsloot, in elk waarvan een krankzinnige kon worden „bewaard". Zij werden gerekend tot het Pesthuis te behooren, hetgeen hieruit blijkt, dat het bestuur van het Pesthuis over bedoelde huisjes het beheer voerde. Den 25 September 1609 werd met den bouw der huisjes aangevangen.

Hoogstwaarschijnlijk zijn vóór 1609 in het Pesthuis ook reeds krankzinnigen en idioten verpleegd geworden, wijl reeds in 1608 Regenten van het Pest- en Dolhuis in de annalen van de stad Rotterdam voorkomen. Verklaarbaar is het wel, dat het Pesthuis werd gebruikt voor dit doel, omdat deze inrichting niet steeds pestlijders had te verzorgen. De mogelijkheid bestaat dan ook, dat de hierboven genoemde uitbreiding van het Pesthuis met eenige huisjes speciaal noodzakelijk werd wegens de „bewaring" van de onrustige patiënten.

De geschiedenis, wat den bouw betreft, is dan als volgt: Omstreeks 1690 is er behoefte aan vergrooting van het Dolhuis, hetgeen eerst in 1706 leidt tot den aanbouw van nog eenige „huisjes". Aan de Noordzijde van het tot het huis behoorende kerkhof worden 16 jaar daarna, in 1722, opnieuw eenige huisjes bijgebouwd. Hetzelfde geschiedde in 1727 aan de Zuidzijde. In 1747 is er wederom plaatsgebrek, hetgeen aanleiding is tot het besluit om het gebouw aan de Oostzijde te vergrooten. Als bijzonderheid zij vermeld, dat eerst een vernieuwing was beraamd, bestaande uit het bouwen van twee

Sluiten