Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het waren betalende „gasten", naar welke de bedoelde afdeeling wel „heeren- of juffrouwen Padua" werd genoemd. Vermoedelijk naar een graaf, die aldaar gehuisvest is geweest, droeg één van de vertrekken dezer afdeeling de naam van „gravenkamer".

Ook het aantal krankzinnigen nam toe, zóó zelfs, dat in 1756 in sommige huisjes drie patiënten bijeen moesten verblijven. Daarom werd in 1756 besloten zestien nieuwe huisjes bij te bouwen. Zulks geschiedde door den achtergevel aan de zijde der Kipstraat op te trekken ter gelijke hoogte met liet gedeelte van het gebouw aan de binnenzijde. In 1825 onderging het gebouw nogmaals een geheele uitwendige en inwendige herstelling, waarna de breedte van het Dolhuis aan de voorzijde en achterzijde langs de Hoog- en Kipstraat 108 Rijnlandsche voeten moet zijn geweest, de diepte ruim 200 voet.

De tweeledige bestemming van het gebouw blijkt wel uit de raededeeling, dat op de verdiepingen van het voorpand de z.g. politiekamers waren, terwijl in het West- en Noordpand een aantal „gevangenhokken" zijn geweest.

Het door de vier zijden van het gebouw omringde binnenplein moet op ouderwetsche wijze zijn aangelegd geweest met een grasplein en eenig geboomte. Achter het hoofdgebouw waren gelegen de huisjes aan de Hoogstraat.

De inrichting van het gebouw is wellicht de oorzaak geweest, dat het in het algemeen zoo bijzonder geschikt werd geacht om te dienen als z.g.n. „Doorgangshuis". Er is althans een besluit van burgemeester en wethouders van 5 Juni 1827, waarbij regenten van het Pest- en Dolhuis werden gemachtigd om tegen gewone betaling matrozen op te nemen, die door den waterschout als straf naar het huis werden gezonden, evenals bedelaars wier opneming door den commissaris van politie werd gevraagd. Deze laatste verbleven in het Dolhuis tot hun opzending naar één der koloniën var. Weldadigheid. Het besluit van Burgemeester en Wethouders zal vermoedelijk in verband hebben gestaan met de verbouwing van het Raadhuis in 1827, hetwelk vóór dien voor dit doel schijnt te zijn gebezigd. Het Dolhuis ontving voor een matroos 75 cents daags, voor een bedelaar 50 cents en voor kinderen beneden de 10 jaren 40 cents.

De belangrijke veranderingen aan het gebouw na 1825 vonden haar oorzaak in de langzamerhand geheel gewijzigde opvattingen omtrent de verpleging van geesteszieken. In 1845 werd ƒ 25.000,— beschikbaar gesteld voor verbeteringen. Meer licht en lucht werd in de lokaliteiten gebracht. Werkplaatsen voor timmerlieden, kleermakers en schoenmakers werden ingericht.

Onder drang van het Provinciaal Bestuur en de bij de Krankzinnigenwet van 1841 gestelde eischen, werd in 1855 een plan ontworpen tot verbouwing. Zou het gebouw n.1.

Sluiten