Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

streeks het midden der 19de eeuw. Voor het lichamelijk lijden schijnt wel een geneesheer het Dolhuis van tijd tot tijd te hebben bezocht, doch een speciale behandeling van de geestesziekte geschiedde klaarblijkelijk niet. Zoo was de toestand nog in 1836. In dat jaar werd echter een rapport uitgebracht, waarin verschillende wenschen tot verbetering kenbaar werden gemaakt, met het gevolg, dat er een speciale stadsdokter werd aangesteld voor het Dolhuis op een tractement van ƒ 600.— 's jaars. De keuze viel op Dr. G. van Charante. Deze had van de behandeling en verpleging van krankzinnigen een speciale studie gemaakt.

Onder zijn leiding kwam er in het Pest- en Dolhuis een groote ommekeer. Van de verbouwing in het jaar 1845 is reeds hiervoor gewag gemaakt. Echter niet alleen uitwendig, doch ook inwendig werden de toestanden geheel anders. Bij het doorlezen van de jaarverslagen uit de jaren 1850/1860 blijkt, hoe er, geheel in den geest der tegenwoordige behandeling, naar gestreefd werd om aan zooveel mogelijk patiënten bezigheid te verschaffen.

Werkplaatsen voor timmerlieden, schoenmakers en kleermakers werden ingericht en b.v. in het jaarverslag over 1859 werd met voldoening het volgende geschreven:

,,Het verschaffen van geregelde bezigheid aan lijders en lijderessen is een groot hulpmiddel voor de genezing. Gelukkig ontbreekt het in ons gesticht nimmer aan gelegenheid tot werkverschaffing. Kleedermakers, schoenmakers, timmerlieden, behoeven nooit ledig te staan, terwijl de vrouwen voldoende bezigheid vinden in het maken en verstellen van kleederen en beddengoed, en in het bezorgen der wasch. Gedurende eenige maanden hadden wij onder onze lijders een mandenmaker, die het gesticht met de resultaten van zijn handwerk verrijkt heeft. Overigens was het touwpluizen de hoofdwerkzaamheid voor de meeste lijders en onrustige of onzindelijke lijderessen, welke geen vrouwelijk handwerk kunnen uitoefenen. Behalve de idioten en verlamden is geen onzer verpleegden den ganschen dag zonder eenige bezigheid."

In ditzelfde jaarverslag wordt gewag gemaakt van de behoefte aan ontspanning vooral voor de mannen, spelen die in de open lucht kunnen plaats hebben. De hoop in dit verslag uitgesproken, dat een volgend jaar een kegelbaan zou kunnen worden geplaatst, werd, blijkens het verslag van 1860 in dat jaar vervuld. Op de mannenafdeeling werd toen ook een schommel geplaatst. De gezelschapsspelen waarmee binnenshuis de tijd werd gekort, zijn ongeveer dezelfde als die welke ook thans nog zeer veel bij de patiënten in trek zijn.

Voor het geven van ontspanningsavonden werd veel moeite gedaan, waarbij, evenals thans, meermalen gezelschappen uit Rotterdam gratis medewerking verleenden. Voor het

Sluiten