Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den zich eerst aan geen regels binden, doch verbonden zich later tot een orde, welke de goedkeuring verwierf van Paus Sixtus de Vierde (1471—1484).

In 1421 waren de broeders reeds in Leiden werkzaam en in 1441 schijnen ze te zijn toegelaten in Rotterdam. Zeker niet te veel gezegd is, dat deze Celle-broeders, later kwamen ook de Celle-zusters, worden geacht de oudste Diakonen en en Diakonessen te zijn geweest, die in ons land werkzaam waren.

Toen in 1547 het St. Anna's-Zusteren klooster door de stad werd gekocht, schijnt het aanvankelijk de opzet te zijn geweest, dat de nonnen de verpleging van de pestlijders op zich zouden nemen. Zooals we reeds hebben gezien bleken zij hiertoe niet bereid. Of deze St. Anna-Zusteren ook tot de hierboven genoemde Celle-Zusters behoorden is niet zeker. De Celle-broeders hebben te Rotterdam een klooster gehad. Omdat zij in „cellen" woonden werd gesproken van Cellebroeders en Celle-zusters; wegens hun zwart gewaad werden zij ook wel aangeduid als Zwarte broeders en Zwarte zusters. Ook komt de naam Brood-zusters voor, die zou zijn ontleend aan de vergunning die aan de zelf behoeftig zijnde zusters was verleend, om ter voorziening in eigen onderhoud, dus voor haar „brood", te mogen bedelen. Tot wanneer de „Brood-zusters" haar liefderijk werk hebben verricht, staat niet vast, tenzij moet worden aangenomen, dat met den eigendomsovergang van het St. Anna's-Zusteren klooster ook de Brood-zusters van het tooneel der verpleging verdwenen.

Mèt de opheffing der kloosters verdwenen ook de Cellebroeders als verplegers van pestlijders.

Omtrent de verplegingstaak in de 17e en 18e eeuw van den Binnenvader en de Binnenmoeder ten aanzien van krankzinnigen, zijn eenige spaarzame gegevens te vinden in het hierachter afgedrukte benoemingsbesluit dezer functionarissen, dateerende uit 1639. De verplichting om de patiënten eenmaal per week te reinigen, des zomers en des winters, is het eenige positieve, dat ten aanzien der verpleging was voorgeschreven. Voorts werd een goede behandeling der zieken genoemd. In de op pagina 35 e.v. afgedrukte instructie van 1805 wordt nog steeds gesproken van „innemen, opsluiten en bewaren" (zie art. 6). Het geval van ziekte genoemd in artikel 8 dezer instructie, van hetwelk de Binnenvader zonder uitstel aan den „praecis der regenten" en den dokter van 't huis kennis moest geven, zal hoogstwaarschijnlijk alleen op lichamelijke ziekte betrekking hebben gehad. Volgens laatstgenoemd artikel waren de geconfineerdens ( = patiënten) aan zijne „bewaring" toevertrouwd.

Blijkens artikel 30 bedroeg de belooning ƒ 200.— 's jaars. Een verhooging tot ƒ 300.— was afhankelijk van het overlijden

Sluiten