Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de weduwe van zijn voorganger. Vergeleken bij de belooning in 1646, bedragende toen ƒ230.— plus ƒ 18.— voor de functie van barbier, was de stijging in de 150 jaren zeer gering geweest. Zonder de ,,ƒ 100.— in de toekomst" was de belooning zelfs gedaald.

Omtrent de taak van de zusters (de oppasseressen), in het „Krankzinnigenhuis" zijn nadere bijzonderheden te vinden in de hierachter afgedrukte instructie uit de 19e eeuw.

De naam Dolhuis komt in dit stuk niet meer voor. Met „Huis-vader" en „Huis-moeder" zullen wel zijn bedoeld de Binnenvader en Binnenmoeder.

Blijkens artikel 10 bedroeg de belooning der oppasseressen ƒ 110.— 's jaars.

Het geheel ademt reeds een anderen geest, dan de instructie voor den Binnenvader en de Binnenmoeder van 1805.

Aangaande het getal verplegenden ten opzichte van het aantal patiënten zijn gegevens vervat in een rapport van 1882, ingediend door den toenmaligen Geneesheer-Directeur, Dr. Halbertsma, betreffende de overbevolking van het gesticht.

Buiten den Huismeester, één opzichter en één opzichteres waren voor 230 patiënten 9 oppasseressen en 7 oppassers aanwezig. De opzichter en opzichteres medegerekend was het dus een verhouding van 1 : 13. In 1932 was in meerdere gestichten een verhouding van 1 : 4.

Gedurende de 50 jaren van 1882—1932 is er in de verpleging op dit punt dus zeer veel veranderd. Gedurende de laatste 25 jaren wel het meest. Toen het Dolhuis reeds uitsluitend Doorgangshuis was, dus aan het einde der 19e en begin der 20e eeuw, gebruikten de oppassers en oppasseressen nog hunne maaltijden op dezelfde zaal als de krankzinnigen en sliepen ook op de zalen der patiënten.

Het verplegend personeel stond in laatstgenoemd tijdperk op belangrijk lageren trap dan thans. Onder het mannelijk personeel waren nog vele oudgedienden uit het Ned. Indische leger, met ouderwetsche drinkgewoonten, die meer behoorden tot de groep van „oppassers", dan wel den naam verpleger verdienden.

Ook werden de op afb. 8 gereproduceerde cellen nog in het laatst der vorige eeuw in het Doorgangshuis gebruikt. Zooals op afb. no. 9 is te zien, bestond de houten vloer der cellen uit twee gedeelten, die schuin afliepen naar een gootje in het midden, in hetwelk een gat was geboord voor den afvoer van de urine naar een zinken bak onder die vloer, welke bak op afb. 9 duidelijk zichtbaar is. De cellen waren langs beide zijden van den zolder gebouwd, dus tegenover elkaar, met het gevolg, dat de ongelukkigen elkaar voor de tralies konden zien zitten. Vermoedelijk is dit de „dollengaanderij" geweest, waarvan één der Rotterdamsche geschiedschrijvers gewaagt. Volgens de

Sluiten