Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Lange, staat tusschen een reeks notities van levensmiddelenaankoopen, evenals het feit, dat Jan een nacht buiten het huis had doorgebracht in den Oppert.

Uit een oud register van 1639 blijkt, dat de Binnenvader zijn verschotten wekelijks noteerde, waarna afrekening volgde. Een kasboek van 1679, twee registers van extra-ordinaire ontvangsten van 1634—1688, een dagregister van ordinaire uitgaven van 1662—1690, alsmede een register van ingeslagen goederen van 1644—1687 zijn goed bijgehouden. De oudste rekening is van 1677. De stijgende lijn in de boekhouding blijkt uit een register uit de 18e eeuw, dat maandelijks werd afgesloten, dus in den geest der maandelijksche methode.

De Binnenvader, later genoemd „Huisvader", nog weer later „Huismeester", voerde de dagelijksche administratie.

Blijkens art. 5 der instructie van 1805 was hij toentertijd ook den president behulpzaam bij het beleggen van de vergaderingen van het college van regenten en regentessen.

Het aan dit opstel toegevoegde extract uit het register der resolutiën van regenten (zie pag. 44) doet zien, dat er in 1639 een rentmeester in functie was, die de bezittingen van het huis beheerde.

Uit de begrootingen van de jaren 1859 en 1860 blijkt, dat de belooning in die jaren, althans wat het getal guldens bebetreft (de koopkracht van de munteenheid buiten beschouwing latend), voor den Geneesheer nog even hoog (of even laag) was als in het jaar 1635, n.1. ƒ600.—.

De belooning van den Binnenvader en de Binnenmoeder is in de jaren 1858 en 1860 ƒ 700.— per jaar. In vergelijking met 1639, toen ± ƒ250.— als wedde werd uitgekeerd aan deze functionarissen, dus een belangrijke vooruitgang.

In 1864 verdiende een opzichteres of opzichter ƒ200.— minimum en maximum ƒ 250.—; oppasters, oppassers en bedienden minimum ƒ80.—, maximum ƒ120.—, plus een kermis- en nieuwjaarsgift elk van ƒ 5.—. Het jaarloon van een timmerman bedroeg ƒ 150.—, benevens ƒ 10.— voor waakloon, plus een kermis- en nieuwjaarsgift elk van ƒ 5.—.

De kosten per verpleegdag bedroegen in de jaren 1860, 1861 en 1862, resp. ƒ0,69, ƒ0,66 en ƒ0,65. Blijkens de rekeningscijfers van 1862 bedroegen de onkosten van de voeding, zonder de bereidingskosten 32 cent per dag of ongeveer de helft van den totalen kostprijs. Wel een geheel andere verhouding dan thans in de krankzinnigengestichten, terwijl het bedrag van 32 cent vrijwel overeenkomt met den tegenwoordigen prijs per voedingsdag in die gestichten.

Vele bezittingen, waaruit voor het Pest- en Dolhuis de kosten der verpleging van armlastigen konden worden bestreden schijnen er niet te zijn geweest. Slechts een kapitaal van ƒ 8300.— 21/2 % inschrijving op het grootboek wordt ge-

Sluiten