Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Psychiatrische Inrichting ..Maasoord", naar den toestand in het jaar 1927. (Afb. no. 13).

boven gememoreerd, behoeft het niet te verwonderen, dat Heeren Burgemeesteren en Regeerders mistasten ondenkbaar achtten, hetgeen wel blijkt uit een correspondentie in 1720 gevoerd tusschen Schepenen van 's-Hertogenbosch en de Rotterdamsche Magistraat, over de opsluiting van een krankzinnige in het Rasphuis. De vroede vaderen van Rotterdam antwoordden aan dezelve van Den Bosch, dat sijn quadaertigheyt veel grooter was dan de krancksinnigheyt". Dat hij dus het Dolhuis niet „eigen" was en voegden er aan toe, dat zij het zich wel toevertrouwd achtten „omme te oordeelen hoe een quaedaerdigh ingeseten moet worden behandelt", Schepenen van Den Bosch bekenden hun ongelijk en boden nederig hun verontschuldiging aan!

In een soortgelijk geval meenden de President en de Raden van Holland, Zeeland en Friesland de Rotterdamsche Magistraat in 1727 een aanmerking te moeten maken over haar eigenmachtig optreden, doch de Heeren van de Wet beriepen zich op het privilege van civiel confinement van 220 jaar terug, n.1. van 1 September 1507.

Het staartje van den brief bevatte de navolgende hatelijkheid aan het adres der Hooge Heeren: „Wij hoopen ook, dat UEd. Mog. met diergelijke versoeken, die nu korteling zeer zijn geaccresseerd, minder zullen werden geinterrumpeert in derselver importante besigheden en deliberatiën."

Opsluiting van geesteszieken in het Tucht- of Werkhuis of Beterhuis als een gevaarlijk sujet heeft zeker niet tot de zeldzaamheden behoort, terwijl toch eigenlijk zijn of haar toestand diep beklagenswaardig was en inplaats van verachting, medelijden het richtsnoer bij de behandeling had moeten zijn.

Hoe in den loop van de 19e eeuw dit alles is veranderd is

Sluiten