Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vermogen in te nemen, gelijk hij ook niemand zal vermogen te ontslaan, als op expresse last van heeren wethouderen en zulks mede niet, dan na voorgaande kennisgeving en consent aan en van de regenten, of wel de praesis derzelven, doch voor zooverre die genen, welke alleen wegens krankzinnigheid zijn geconfineerd betreft, niet dan op speciale ordre van regenten en zullen de ordres en actens zoo tot confinement als tot ontslaginge aan regenten op derzelver eerste vergadering moeten overgegeven worden.

Art. 8. Zal omtrent de geconfineerdens aan zijne bewaring toevertrouwd, zorgvuldig en getrouw acht geven, zoo op de bewaringe als met en benevens de binnemoeder op de behoorlijke nooddruft en verschoninge en stiptelijk zich moeten requleren na de ordres van de regenten en regentessen, deswegens reeds gegeven of nog te geven zonder daar in op eige authoriteit eenige verandering te maken, directelijk of indirectelijk en in cas van ziekte van een of meer van de geconfineerdens, zal daar van pertinentelijk en zonder uitstel aan den praecis der regenten kennis geven, zullende echter inmiddels verplicht zijn den doctor van 't huis bij zoodanige eene ziekte te ontbieden.

Art. 9. Zooveel de bewaringe aangaat, zal de binnevader vooral toezien, dat de sleutels hem overgeleverd, secuurlijk werden bewaard en in geene andere handen komen en zal dezelve buiten expresse ordres van regenten aan niemand mogen overgeven.

Art. 10. Zal een gedurig en naauw toezicht hebben op het sluiten en verzekeren van 't voorschreven huis en van de kamers en vertrekken int bijzonder en zal ten dien einde alle avonden onderzoek doen na het vuur en licht, als mede of er iets gebroken is en voorts zorg dragen dat geen tabak wordt gerookt in de gaanderijen.

Art. 11. Zal van gelijke, een gedurig toezicht hebben en letten op de deuren, sleutels, grendels, traliën en wat iets meer en bevindende dat er iets mankeert, zonder uitstel daar van aan een der regenten kennis geven.

Art. 12. Zal zorg dragen, dat de deur van de vrouwen of zoogenaamde simpele kamer aan de zuidzijde altoos gesloten is en dat naar het mannen Padua, nooit minder dan twee mans personen tegelijk gaan, waarvan, wanneer de een na binnen op het Padua gaat, de ander voor de buitendeur van het zelve blijft staan en altoos de buitendeur gesloten en gegrendeld moet zijn en de binnedeur geopend werd om alle overweldiging voor te komen, zullende wijders op het mannen Padua geen vrouwelijke dienstboden geadmitteerd worden en daarentegen ook op het vrouwen Padua geen mannelijke dienstboden buiten presentie van de binnevader of binnemoeder toegang hebben.

Art. 13. Zal zorg dragen dat de geconfineerden des

Sluiten