Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INHOUD VAN HET OP PAGINA 21 AFGEBEELDE GEDICHT UIT HET JAAR 1610.

REFEREYN

OP DE LOTERIJ VANT ARME GASTHUYS / PEST-HUYS ENDE DOLHUYS BINNEN ROTTERDAM / ANNO 1610.

Num. 26, 55 ct

33, 54 Jos. 14, 2. 15, 1 1 Sam. 14, 42 Para 26, 13 Jona 1, 7 Acto 1, 25 Prov. 16, 33

voort 't Gasthuys, Pesthuys en Dolhuys

Math. 25, 36

Sirach 7, 36 Sirach 35, 25

Sirach 4, 5

verso 1, 2, 3, 4

1 Petr. 3. 8 Math. 25, 34

L

Wij lesen in de schriftuer van diversche Loterijen, Die naer Godts bevel / en Ordonancy / zijn ghehouden / Gelyck wy by Mose, Josua en Samuel zien / By Jona die door ongehoorsaemheydt quam in 't lijen / En D' Apostelen die haer op het Lodt betrouden Alsse Mathiam. voor Joseph verkiesen souden / Want het Lodt werdt wel gheworpen in den schoot / Doch het valdt als de Heerc wil voor Jongh en Ouden / S' ghelijcx soo druckt ons ook den herdt dringenden noot /

Om dees Heerlijcke Lotery, Costelijck en groot / T en behoeve van 't Arme Gasthuys deser Stede / Mitsgaders het nieuwe Pesthuys van in-comste bloodt / Daer onder het Dol-huys, is resorterende mede / Openbaerlijck op te stellen / soo ghy in 't breede / By de Caerte, zien meucht hier beneffens ghehanghen Soo is ernstich der Meesters, ende Reghenten bede / Uut den Name van den Armen / die naer troost verlanghen ƒ

Ghewonde ende ghequetste / met cranckheyt bevanghen/

Die ons Godt Almachtich / op 't hooghste recommandeert /

Dat elck een Liberalyck / tot haer neemt zijn ganghen / Want Barmherticheyt / is een Danck-offer die Godt bcgheert /

Daerom U Oogen van den noot-druftighen niet en keert /

Noch ontseght den Elendighen niet door een welda-

dich / / schijn / Maer daedflijck LI Liefd bewijst: want Petrus leert / Die den Armen Bermhertich is, sal Godt ghenadich / /

zijn.

2 Cor. 8 Sirac. 4. Job. 31,

Mat. 18. Prov. 21,

Math. 5, Prov. 19,

. 3 1, 2, 16

30. 13

7 17

Jesai 58, 7

II.

Siet hoe de Macedoniers (boven haer macht) Milt hebben ghewcest teghen den noot-druftighen Armen /

Den hongerighen niet bedroeft / noch den Armen

veracht/

De Ooghen der Weduwen niet laten versmacht / Noch de Ooren ghestopt voor 't deerlijck karmen. 35 Want die hen over den Elendighen niet en erbarmen ƒ Die sal tot Godt roepen en niet werden verhoort / Maer Godt sal hem ghenadich zijn end' ontfarmen / Die den Armen Barmhertich zijn nae zijn woort : / Want hij leent den Hecre / die hem rechte-voort Het goede weder vergelden sal / tot zijnder tijt ' Breeckt den Hongherigen U Broodt / blymoedich onghestoort /

En soo ghy eenen nacckten siet /' oft arm in thabijt

Sluiten