is toegevoegd aan uw favorieten.

Herdenkingsrede uitgesproken op 23 November 1932 ter gelegenheid van de viering van het 250-jarig bestaan der Ned. Herv. kerk te St. Anna Parochie

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De klok is in 1767 door Pieter Seest gegoten te Amsterdam en draagt o.a. de namen en wapens van den toenmaligen grietman en zijn secretaris Jhr. Jacob Adriaen du Tour en Dr. Henricus Andrae.

De preekstoel heb ik zooeven genoemd. Hij geeft voor een Prot. Kerk min of meer het model aan, omdat de verkondiging des Woords in het middelpunt staat van de eeredienst. Voor wie symbolen kan lezen is deze rijk gebeeldhouwde kansel op zichzelf reeds een prediking. Hij verheft zich op een voetstuk, waaraan de symbolen der 4 Evangelisten zijn aangebracht: Uit de 4 Evangeliën rijst de prediking van het Woord op. Hij wordt verder gedragen door een 5-tal engelenfiguren, wellicht bedoeld als cherubs die den Godstroon dragen. Op de 5 paneelen de voorstellingen van gerechtigheid, hoop, liefde, geloof en waakzaamheid, terwijl de trapopgang versierd is met het beeld van een pelikaan die zijn jongen voedt met het eigen bloed, in gedachten brengende: Jezus Christus, die zijn leven geeft voorde zijnen. Aan den anderen kant Mozes met de 2 steenen tafelen der wet. En dan op de bovenste trappaal een figuur, die ik niet thuis kan brengen. Men houdt haar algemeen vooreen Evangelisten figuur. Ik houd mij overtuigd dat dit niet zoo is. Er ontbreekt één arm en er is een open mond. Die arm is een gebogen arm geweest en heeft een trompet gedragen. Ik wil bij verdere bizonderheden niet stilstaan Die zijn dezer dagen in allerlei dagbladen te vinden. Laat mij dit nog zeggen dat de kerk gerestaureerd is in 1847—'48 en daarbij, naar de meening dier dagen, verfraaid is. Bij die restauratie zijn de pilaren dunner gemaakt wat tot een heele beroering aanleiding schijnt te hebben gegeven. Ook zijn de portalen nieuw opgebouwd. Zij waren er al veel eerder. Waarschijnlijk zijn ze niet heel lang na de plaat¬

sing van het orgel gekomen. Voorts is in 1847—'48 in lambriseering en banken veel eiken hout door vuren vervangen. Slechts 50 jaar later dreigde het gebouw door algeheele verwaarloozing een ruïne te worden. Oroote borden waarschuwden het publiek niet in de nabijheid te komen en de gemeente moest elders onderdak zoeken.

Ik wil het voorloopig bij deze dingen laten. Ik heb tot nu toe niet veel anders gedaan, dan u wat koude feiten en jaartallen noemen. Ook heb ik u rondgeleid in een gebouw waarvan een prozaïsch-materialistisch mensen zou kunnen zeggen, dat het niet meer is dan een geschiedenis van kalk en steen, hout en ijzer. Zoo zullen er niet velen zijn. De schoonheid van gebouw en interieur is openbaar. Wie zou geen eerbied hebben voor wat kunstenaarshanden hier hebben gewrocht. Waar vindt men zulk fraai, stijlvol, rijk en toch sober beeldhouwwerk. Maar ik wil nog een oogenblik wat verder gaan. Vanuit deze doode dingen spreekt het leven eener gemeente van Jezus Christus. Ik grijp terug naar mijn eerste archiefstuk. Daarin wordt om een nieuwe kerk gevraagd, omdat „den Gereform. Godsdienst dier maten heeft toegenomen dat gemelte slichte Kerck den menigte der toehoorders qualyck kan vervangen". Achter de kerk treffen we een levende gemeente aan en die levende gemeente is beter dan de oude kerk. Zij is ook van hooger afkomst. Keizerlijke handen hadden den bouw der oude kerk mogelijk gemaakt. De levende gemeente is het werk van den Koning der Koningen en den Heer der Heeren. Zij is ontstaan uit den rijkdom zijner genade, in Jezus Christus geschonken. Hij is tot haar gekomen en nu komt zij in aanbidding tot Hem. Neen, zulk een kerk is niet enkel een geschiedenis van kalk en steen, van hout en ijzer, ook niet een machtig getuigenis van den kunstzin harer bouwers. Zij