is toegevoegd aan uw favorieten.

De faun

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meende te loopen in de eenzaamheid, in een grenzenlooze eenzaamheid.

Een oogenblik was hij angstig geweest; een oogenblik had het verlatene hem, beangstigend, aangegrepen. Maar toen zweeg de gerekte toon en de nagalm vervulde zijn hart met een geluk dat het niet bevatten kon, met een geluk dat overstelpend was.

Hij liep door naar de hooge boomen in de open plek, omringd door de macchias. Hij liep langzaam, met onhoorbare passen; maar niet heimelijk, neen: moedig, vrij, frank. Hij wist immers, daar was de Faun]

Het was de Faunl Hij zag hem nu. Onder een olijfboom stond hij; de zon scheen fél op de zilveren bladen en weerkaatste hierin, parelgrijs, op de hooge gestalte die tegen den stam leunde.

Hoe donker was de Faunl zwart bijna. . . . zwart verbrand door eeuwenlange zonnehitte.... of was het een dunne, zachte vacht van zijig haar? Schichtig gleed Pietro's blik naar beneden, naar den grond.. . .

Want in de lange avonden vertelden de bewoners van Psilorita elkaar over den Faun. Over zijn wonderlijke fluit, over de wondere muziek en hunne fantasie spon zich vast rond zijn nooit geziene gedaante.

Hij had een breeden mond en groote, sterke, spierwitte tanden; hij had een jong, een schoon gelaat;