is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods overwinnen; in de nederwerping en gevangenneming dezer zielsoverlegging is waarlijk de zegepraal des geloofs; de vrijmaking des geloofs, om in geheele overgegevenheid aan den levenden God en aan Zijn Woord, aan Zijn waarachtig Woord in het menschenleven te leven.

Zoo spreekt daarom het Woord Gods: Wie zijt gij, o mensch, die tegen God antwoordt? Gij zijt mensch; God is God! gij de geringe brooze, die niets weet en niets te zeggen hebt. God de Almachtige, eeuwige, uit wien en door wien en tot wien alle dingen zijn, en die alleen met volstrekte souvereiniteit over alles beschikt en beslist. Durft gij spreken, als God spreekt, en met Hem treden in geding! O, hoe durft gij? hoe kunt gij? Zwijg toch, en hoor, en aanbid!

Wie zóó niet Gods Woord ontvangt, die ontvangt het niet.

Ook in dit diepe stuk van de volstrekte souvereiniteit Gods in Zijn genade.

Zal ook het maaksel zeggen tot hem, die het maakte: waarom hebt gij mij zóó gemaakt? Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het ééne een vat ter eere en het andere ter oneere?

O hoe diep slaat hier het Woord Gods ons neer!

Maar is de waarheid anders? en brengt niet juist deze waarheid ons op de plaats der aanbidding? Zijn wij niet geheel Gods maaksel? Zijn wij niet enkel door Zijn believen menschen? De heilige profeet werpt zelfs voor vader en moeder alle consciëntie in het stof, en de natuurlijke inspraak van aller menschen hart spreekt hier mee: „wee hem, die tot den vader zegt: wat genereert gij? en tot de vrouw: wat baart gij?" Hoe behoort dan in veel hoogeren zin elk mensch in heel zijn bestaan diep zwijgend aanbiddend voor God te bukken!

En immers niet enkel in ons bestaan, in ons mensen-zijn voor God, geldt deze waarheid, maar niet minder, — en daarom vooral gaat het hier! — niet minder geldt deze waarheid in de genade Gods. Als één klomp van hetzelfde leem in pottenbakkershand, zoo zijn wij zondige verdorven menschen één, allen van nature vijanden Gods. De rechtvaardigheid Gods kan ons slechts Zijn verbolgenheid en Zijn toorn brengen. Indien het den Heere behaagt, te begenadigen en te redden, — te zeggen hebben wij hierin niets, slechts het goddelijk licht op te vangen, dat Hij als God ons belieft te geven! — o dan formeert Hij ook in die genade naar Zijn believen, naar Zijn goddelijk believen alleen, dat eeuwig goddelijk, maar voor ons ondoorgrondelijk en aanbiddelijk is. De pottenbakker in zijn souvereine vrijheid is hier het voor ons vernederend maar godverheerlijkend beeld; hij vormt uit het leem de ruwe aarden pot en het edelst aardewerk naar zijn believen.