Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TAALBEDERF VAN HOOGERHAND.

MINISTER MARCHANT EN DE ZESLUIZEN.

„De co ft gaet voor dt baet uyt"

Hergeef het Nederlandsche Volk eene grootsche taak en de zeventiende-eeuwsche bezieling en het is weer een groot volk.

Iets in ons groot verleden moet er toch nog zijn, Dat ons behoedt voor het gevaar, van hoogerhand Het erfdeel van een ieder, rijk en arm, te schand Te zien gemaakt; ons geesteskind „de taal" door een te klein Begrip van wat een Volk verhoogt, te zien geknecht - in schijn Van de begeerde eenheid; waar - te alle kant Zoo klaar, de schoonheid der verscheidenheid, in dier en

[plant,

De vrijheid opeischt om in elke soort zichzelf te zijn. Ook voor het Volk, dat van den Dollard tot de Scheld ; In zijne spreektaal zich aan weinig wetten stoort. Maar in de schrijftaal trouw de stem van het verleden hoort, En daaraan hecht, trots de bezwaren op zijn geestesgoed gesteld, Een Volk, dat door „de Zee" gemaand tot het ontplooien

[zijner kracht,

Door geen zesluizen van Marchant tot ander inzicht wordt

[gebracht.

Sluiten