Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

910. Zweedsch Landschap; op den voorgrond langs heuvelachtige oevers een riviertje; rechts een hooge den, waarachter dicht «boomte. 8 D. 48 x 62,5 gem. onder rechts: EVERDIN' GE N Heeft waarschijnlijk gediend als vakvulling boven

een deur in het Trippenhuis. Niet vermeld vóór 1816.

EVERDEVGEN (Caesar van), geb. Alkmaar 1617 of 1621, gest. aldaar 1678 Volgens Houbraken leerling van Jan van Bronchorst; oudere broeder van Allart van Everdingen. Woonde van 1651-1656 te Haarlem, verder in hoofdzaak te Alkmaar.

911. Willem Jacobsz. Baert (1637-1684). Burgemeester van Alkmaar, ten Halve hjve naar rechts gewend.

D. no x 90, boven links: AETATIS . 35 . ANNO 1671

en gem.: ' QyiC

Verkocht J. H. Cremer, Amsterdam 1886. A/ J

912. Elisabeth Kessel (1640-1717). Echtgenoote van L _

den voorgaande. Ten halve hjve, naar ünks gewend. A.

109 x 9o, boven links: AETATIS . 31 . ANNO 1671 en V3f I monogram. Herkomst als No. 911. V *

EVERSDYCK (Willem), geb. Goes, gest. Middelburg r6« Leerling van zijn vader Cornelis Willemsz. en sedert l633 of 1634 van Cornehs de Vos te Antwerpen. Werkzaam te Middelburg na 1652

914. Cornelis Fransz. Eversdyck (1586-1666), Rekenmeester van Zeeland en wiskundige.

E. 36 x 26,5, gem. onder

rechts: ~

Een tweede exemplaar f * ~/\ / /

van dit portret werd ge- I , „ „ A-f, - b /

veild op de Verk. R. della /j). C^^/6/^ * ff

Faille, Amsterdam 1903. , / ' J

Verk. Munniks van Cleef, V^_^/

Utrecht 1862. Gek. 1885 te Zutphen met de twee volgende No's.

915. Nicolaes Blaucardus (1624-1703). letterkundige en geschied^aTiSt?!^m***Waar°PdesPreuk: INCERTUMQVO

ANTIOVT^ M Ir^l ^ °nder °P het Pünt: "MORIBVS ANTIQVTS N. BLANCARDVS.

E. 16 x 11,5, gem. rechts op het plint: r X f f

Herkomst als No. 9x4. v * ■ -W. tuev/dyck .Jf,

Ï16. Maria Eversdyck, echtgenoote van Nicolaes Blancardus. Borstbeeld m een nis, waarop de spreuk: DOMINVS PROVIDEBIT AET XXXVIII. MDCLXVI en onder het plint M. EVERSDYCK ü. 16 x 11,5. Herkomst als No. 914.

7

916. Maria Fopm/1„»i. —u± j__ „. .

Sluiten