Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. GRAAF ALBRECHT OP REIS, TER FEEST EN TEN OORLOG.

Toen Graaf Albrecht nog flink en sterk was, ging hij dikwijls op reis. Zijn eigenlijke taak bestond vooral in het voeren van de rechtspraak in de verschillende deelen van het land. Nu, het was wel noodig, dat men zich flink en sterk gevoelde, want het reizen was in dien tijd alles behalve gemakkehjk en 't ging niet zoo snel als tegenwoordig. Er waren nog geen groote, breede wegen. Behalve door waterwegen waren de steden en dorpen alleen door dijken, landwegen en kerkpaden met elkaar verbonden. Men kon dan ook niet best met een wagen reizen. Men liep te veel gevaar, dat de wielen in een plas bleven steken of in een kuil braken. Toen bv. Graaf Albrecht in 1394 zijn tweede gemalin, Margaretha van Kleef, in Den Haag verwachtte, liet hij, vóór hij haar tegemoet reed, in allerijl den Rijswijkschen weg in orde brengen. Deze was op dat oogenblik door de vele gaten en kuilen volkomen onberijdbaar.

Daarom reisde men overland meestal te paard of 's winters als er sneeuw lag per slede; maar heel zelden met een wagen. Gemakkelijker ging het reizen te water. Daardoor waren de wateren de beste verkeerswegen en werden dan ook het meest gebruikt.

De graaf reisde meestal met een gevolg van 15 tot 20 personen, maar als de gravin mee ging, waren er wel 20 tot 30. Hij trok dan van stad tot stad en vond in „sijn open huus" of „herberg" alles voor zijn ontvangst gereed. Als hij niet in zoo'n eigen herberg logeerde, liet hij alles meenemen, wat hij onderweg noodig had. Al zijn bagage werd van het Hof naar het schip gedragen, dat aan de planken stoep in het Spui lag.

Sluiten