Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII. DEN HAAG IN DEN SPAANSCHEN TIJD.

Als er iets belangrijks bekend gemaakt moest worden, las de klerk van de magistraat dit voor, staande op de pui van het fraaie nieuwe schepenhuis. Zoo gebeurde het enkele maanden na de komst van Alva in de Nederlanden, dat de klerk weer een stuk had voor te lezen. Het was de „ordonnantie", die aan ieder burger de verphchting oplegde, terstond aan het gerecht op te geven, wie aan de „beroerten" mee gedaan had.

Het duurde niet lang, of de Gevangenpoort was vol slachtoffers. En wie nog niet gevangen genomen waren, maar meenden, dat zij er gevaar voor hepen, verlieten weer in groote haast huis en hof, nadat zij zooveel mogelijk hun goederen verkocht hadden.

Door dezen uittocht kwam er o. a. groot gebrek aan werklieden. Juist hadden „burgemeesteren en raden" besloten de voornaamste verkeerswegen te laten plaveien. Quyrijn, de stratenmaker, was met vlijt aan den arbeid getogen, maar toen hij kon vermoeden, dat de baljuw ook op hem loerde, maakte hij, dat hij weg kwam. Hij liet de Oude Molstraat opgebroken achter. Dat was een groot ongerief voor de bewoners dier straat. Maar de overheid beval, dat zij zelf de straat zoo goed mogelijk weer begaanbaar moesten maken!

Het zag er in dien tijd treurig uit in Den Haag. Vele huizen stonden onbewoond en er werd groote armoede en ellende geleden door de achtergebleven ingezetenen.

Toch was er één gedeelte van Den Haag, dat met al die armoede een tegenstelling vormde. Dat was het oude grafelijke Hof.

Na de vlucht van den Prins van Oranje was de graaf

Sluiten