Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Horenken het huis Termunten en 100 grazen land aldaar in gebruik en daarbij niet nader aangeduide heerlijkheden in Oldambt en Reiderland.

Wy, borgemesteren ende raedt in Groeningen, bekennen ende tuygen mit dessen openen brieven, dat wy hebben gedaen ende toegestaen Lodewyck Hornekine, onsen medeburger, onze huys mit synen toebehooren, dit in comende jaer lanck na datum deses brieves; also dat nu geleegen is in den Oldampte to der Munten, met hondert grasse landes, to bruycken, to bewaren ende to besitten, mitten dijcken, die daer nu op vallen, mitter heerhcheden unde re^tinge, die wij nu ter rijt hebben in Reijderlandt ende in den Oldampte, etc. Sunder argelist. In oorcunde hebben wy ons Stadt secreet hier op gedruct. Gegeven in den jare ons Heeren duysent vier hondert vier ende veertich op Sunte Agathen dach.

Afschrift in Stadsdocumenten in conventie. Reg. Feith, 1444, no. ij.

10. Appèl van een doem uit Reide (Oldambt) op de Warven in de stad Groningen.

(R.) 1445, des Dynekesdaghes to Vastelavent (Febr. 8). Lyupko Sebes Popyng, Dodo Tyddes en Tancko, rechters te Reide, schrijven aan Lodewij k Hornken, kastelein in Termunten: Wij hebben „enen doem ghedomet" terzake van een doorgebroken dijk tusschen Fock en Ryndel te Winschoten, welken doem Tydko en Yaenko te Fimela hebben „ghestraffet ende hebben Wen anderen doem domet". Wilt gij nu, waar gij toch in Groningen rijt, van den Raad van deze stad gedaan zien te krijgen, dat hij Tydko en Yaenko laat dagvaarden tégen ons, want „wy dencken unssen doem to byschermen".

Op de adreszijde staat: „Deme eerweerdychen, voersichtychen, kloken man Lodewych Hornken, kastelleen ter Munten, vruntliken ghescreven".

Origineel, op papier, met beschadigd zegel van Lyupko Sebes Popyng. Reg. Feith, 1471»

no. 2.

11. Competentie. — Reëel Statuut — Gezag van de Warven in Groningen over het Ulsdaër Vijfde deel van Reiderland.

1447, Juni 3. Tammo en Eggherik, rechters in Beerta, in Reiderland, verzoeken de Regeering der stad Groningen, om Herko, inwoner van hun karspel, en onderdaan van burgemeesteren en hoofdmannen, te beschermen. Poppeke Reyndes heeft een aan Herko toebehoor end huis in het Ulsdaër Vijfde deel verkocht aan de kerk te Weener en de proost van Weener (tevens pastoor der kerk aldaar) ») en zijn kerkvoogden („hillighe mannen") willen deze zaak met eigenrichting afdoen („slyten myt welde"). De proost c.s. boden aan de zaak te Bunde, in 't gebied van jonker Ulrich (Circksena), af te doen. Herko wilde de zaak in Beerta beslist hebben. Aan den proost is geschreven, dat, als hij eigenrichting pleegt, Herko en zijn verwanten met toestemming van Burgemeesteren van Groningen en van de Hoofdmannen *) hem van het huis zullen verdrijven.

Vruntliken ghescreven, wo wy ju bydden, dat ghy Herken, unsen kerspelman unde ju underzate, wyllen behulplick wezen van eyn steynhuze, gheligghen in Olswyden Vyfftendele, in ju ghebede, dar Poppeke Reyndes hefft vorkofft Wenegher Hillighen und de provest

Sluiten