Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienst en woekeren met de talenten, die hem zijn toe* vertrouwd. Hij zal ze niet gebruiken tot eigen voordeel, en hetgeen hij doet zal hij niet voor zich uit bazuinen om geprezen te worden door de menschen, maar zóó zal hij er mee handelen, dat zij, die zijn goede daden zien, den Vader loven, die in den hemel is. Hij mag er immers op vertouwen, dat de Vader, die in het ver* borgen ziet, het hem vergelden zal en zelfs geen glas water, in zijn naam gegeven, onbeloond zal laten.

Liefde duldt niet, dat men haat wat zij bemint. God bemint alle menschen. Zij zijn allen zijn schapen, die Hij samen wil brengen tot één kudde. De uitnoodiging tot het bruiloftsmaal van Zijn eenigen Zoon is tot allen. Hij heeft zijn eenigen Zoon niet gespaard, omdat Hij allen heeft lief gehad. En zij allen bidden: Onze Vader, die in de hemelen zijt. Daarom moet de mensch, die God bemint, ook zijn medebroeder liefhebben. Breng God geen offers, als gij vertoornd zijt op uw broeder, want uw offers behagen God niet. Nu niet meer oog om oog, tand om tand, maar als iemand u op de rechter* wang slaat, keer hem dan ook de andere toe. Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten en bidt voor wie u vervolgen en lasteren, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader in den hemel.

Uit dat alles is het duidelijk, dat Gods groote liefde groote, edelmoedige wederliefde vraagt. Ideaal dier wederliefde is dan ook: zich zelf verloochenen en alles verlaten en Christus navolgen.

Maar het gebeurt niet enkel, dat de mensch dat ideaal niet bereikt noch er naar streeft, het gebeurt ook, dat de mensch Gods liefde miskent, zijn hart te veel hecht aan aardsche dingen, Gods gaven misbruikt, zijn mede»

Sluiten