is toegevoegd aan uw favorieten.

Handboek voor geloofs- en zedeleer in de Oud-Katholieke Kerk van Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vangen, die dus voor hen alles zou zijn, wat de Heer zelf in zijn aardsche leven voor hen geweest was.1)

Toen wij handelden over „de inrichting der kerk" (§ 20). hebben wij ook reeds uiteengezet, dat oudtijds de drie gewichtigste ambten waren: het diakenambt, het priesterambt en het bisschopsambt. Het onderscheid dezer drie was gelegen in de taak. die er aan verbonden was. Het diakenambt omvatte het werk der barmhartigheid en het prediken, het priesterambt het prediken en de bediening der sacramenten, het bisschopsambt omvatte alle volmacht in zich, het oppertoezicht der kerk en dus ook de taak om de ambtsvolmacht aan anderen door handoplegging mede te deelen.

En zoo worden dan heden deze drie ambten door de handoplegging met gebed van den bisschop verleend. Het spreekt vanzelf, dat deze handelingen zich langzamerhand ontwikkelden tot een samenstel van gebeden en plechtigheden, maar het wezenlijke er in blijft steeds de handoplegging door den bisschop met de woorden: „Ontvang den heiligen Geest", of een gebed waarin de heilige Geest over den wijdeling wordt afgebeden.

Evenals de gemeente van Jerusalem zelf de diakenen koos en hen den Apostelen voorstelde, opdat deze hun de handen zouden opleggen,2) zoo is het ook nu nog altijd de kerk, die de diakenen, priesters of bisschoppen aanwijst of hun benoeming goedkeurt en aan den bisschop de handoplegging opdraagt. Het is niet de bisschop, die uit eigen macht diakenen, priesters of bisschoppen kan wijden. — hij kan het alleen krachtens de opdracht der kerk. welke opdracht hem bij iedere wijding opnieuw verleend wordt. Daarom geschiedt ook iedere wijding in de samenkomst der gemeente tijdens de viering der heilige Mis. En daarom nemen bij de priesterwijding de aanwezige priesters deel aan de wijding door eveneens den te wijden priester de handen op te leggen, en evenzoo alle aanwezige bisschoppen bij een bisschopswijding. Vooral uit de wij dingsformulieren spreekt zeer duidelijk,

i) Joh. 14:16—18. 26, 16:13—15. >) Hand. 6:3—6.