is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na het voorgaande zal het duidelijk zijn, dat de Latijnsche school uit het begin der 19e eeuw vrijwel niemand kon voldoen. De hoogescholen klaagden, dat aan de leerlingen testimonia van zeer verschillende waarde werden uitgereikt, de bijvakken werden vaak niet gevolgd en onderwezen door docenten, die van hun vakken geen voldoende studie gemaakt hadden, de docenten moesten bovendien alles doen om door privaatlessen hun schamele inkomsten eenigszins op peil te brengen.

De regeering liet niet na de noodige aansporing tot verheffing van het onderwijspeil te geven. Herhaaldelijk ontvingen curatoren brieven van den commissaris-generaal van het onderwijs, herhaaldelijk ook werden de scholen bezocht door den inspecteur der Latijnsche scholen, Mr. H. Wijnbeek. Duidelijk is in tegenstelling met het tijdperk vóór de omwenteling de invloed te bespeuren van een centraal gezag. Zoo werd bij aanschrijving van 8 Dec. 1825 van regeeringswege gelast, dat op het uitgereikt testimonium uitdrukkelijk moest worden vermeld, dat de leerlingen ook gepoegzaam waren bevonden in „reken, stel- en meetkunst" *)i

Zelfs werd op 5 Nov. 1832 door den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken Mr. H. J. Baron van Doorn van Westcapelle een rondschrijven gezonden aan de colleges van curatoren, waarbij hun bijzondere aandacht werd gevestigd op de waarde voor het voortgezet onderwijs van de paedagogische opleiding, die aan de Rijksuniversiteiten werd gegeven en hun werd verzocht voortaan bij de vervulling van „leerstoelen aan eenig gymnasium" bij voorkeur diegenen in aanmerking te laten komen, die de paedagogische opleiding bij het hooger onderwijs hadden gevolgd en „deswege de loffelijkste getuigschriften" inleverden.

Alle moeite om de Latijnsche scholen tot nieuw leven te brengen, was vergeefsch. In 1815 bedroeg het aantal leerlingen te Haarlem in de verschillende klassen, van de hoogste (eerste klasse) tot de laagste nog slechts 8, 5, 6 en 16, welke aantallen verhoogd werden met die van enkele apothekersgezellen, die Latijn moesten leeren. Op het instituut waren tegelijkertijd 18 en

niet ƒ550, doch ƒ700. Voor het schoonmaken van het gebouw ontvingen Rector en Directeur samen ƒ100, waarvan de eerste ƒ70, de laatste ƒ30 ontving.

Ter vergelijking der geldswaarde diene, dat men in denzelfden tijd te Haarlem een heerenhuis op behoorlijken stand kon huren voor ongeveer /300, waarvoor nu driemaal zooveel betaald zou moeten worden. (Zie Collier der plaatselijke belastingen op de huurwaarden, Gemeente Arch. Haarlem).

i) Notulen van Curatoren der Hooge Lat scholen van de stad Haarlem, July 1804—July 1830, p. 658.