is toegevoegd aan uw favorieten.

De grondslagen der maatschappijschool

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat in 1863 nog onbekend was, nu een duidelijke taal. Men begon zich dan ook de vraag te stellen, welke verschillen in geschiktheid voor verdere studie er konden zijn tusschen leerlingen, die aan dezelfde toelatingseischen onderworpen werden, die van eenzelfden leeftijd waren en gedurende een vrijwel gelijk aantal jaren x) van docenten met een gelijke onderwijsbevoegdheid les ontvingen. Uiteraard kon een dergelijk verschil —indien dit bestond — slechts op een verschil in waarde van de onderwijsstof berusten. Een onderzoek naar deze waarde is echter een zeer moeilijke wetenschappelijke arbeid, die door den wetgever aan psychologen moet worden overgelaten. Tot nu toe zijn geleerden van naam tot de negatieve uitspraak gekomen, dat voor geestelijke vorming de onderwijsstof van bijkomstige beteekenis is, doch de wijze van behandeling en de wetenschappelijke zin van docent en leerling daarentegen van groote waarde *).

Schijnbaar van weinig beteekenis, doch in werkelijkheid van grooten invloed op de techniek van een komende wet op het voortgezet onderwijs was de grondwetsherziening van 1917. Tot dat jaar was in de grondwet uitsluitend gehandeld over lager, middelbaar en hooger onderwijs, nu werd in art. 195 der nieuwe grondwet opgenomen, dat voor bijzonder „voorbereidend hooger onderwijs bijdragen uit de openbare kas" konden „worden verleend".

Hiermede deed een nieuwe term haar intrede in onze onderwijswetgeving *). Deze term zou in een nieuwe organieke wet op het voortgezet onderwijs tot haar recht moeten komen.

i) Het gymnasium heeft 6, de Hoogere burgerschool vrijwel steeds 5 leerjaren.

=} Vlg. een uitspraak als de volgende: „Auch nicht deshalb halten wir am alten Gymnasium fest, um unsere Jugend vor dem Banausentum, vor dem Handwerkmafiigen und blofi Zweckmafiigen in der Schnle zu schützen. Diese Beleidigung aller anderen Schulen liegt uns ganz fern: wir wissen sehr wohl, daB jedes ernste Studium zur Hingebung an die Sache führt und alle idealen Krafte des Menschen zu entwickeln und zu beflügeln vermag."

Prof. Dr. Adolf Harnack, Die Notwendigkeit der Erhaltung des alten Gymnasiums in der modernen Zeit

Zie ook de werken van Prof. Dr. Georg Kerschensteiner, Prof. Dr. Eduard Spranger, Prof. Dr. Aloys Fischer. Dewey ca. Ook de hierna nog te noemen artikelen van Prof. Dr. B. Symons en Prof. Dr. H. Burger en Dr. F. Roels, Aanleg en beroep.

») In art. 5 der Hooger-onderwijswet worden de gymnasia genoemd „instellingen, voorbereidend tot universitair onderwijs". Wettelijk zijn gymnasia echter instellingen van hooger onderwijs. Een term voorbereidend hooger onderwijs wordt in de hooger-onderwijswet nergens genoemd en kon uiteraard ook niet gebruikt worden.