Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Nou,zooals je wilt. Wat mij betreft: ik smeer hem, Reinhold, ladders halen enzoo. „Maar een goeie stevige. En niet uit Berlijn." ,/k Weet het. En die flesch. Hamburg of Leipzig?" „Dat hoor ik wel." „Hoe krijgen we die hier?" „Laat mij maar begaan." „Dat weet je dus, Frans neem ik met." „Ik geloof, Reinhold, dat we van Frans alleen maar last kunnen hebben, maar dat moet jezelf maar met hem uitmaken." „Bevalt jou dat gezicht soms? Denk je in: ik smijt hem uit die auto en daar komt hij weer aanzetten, bij mij boven, ik denk: ben ik nou niet goed snik of is hij het niet. Maar daar komt die idioot aanzetten en zeurt en wil absoluut mee." „Nou knap dat zelf maar op. Ik moet weg." „Misschien wil hij ons op de hak nemen." „Dat is ook best mogelijk. Weet je, t beste hou je hem van je lijf. Saluut." „Hij verneukt ons. Of schiet in een onbewaakt oogenblik." „Saluut Reinhold, ik mot Wei5r\j u -jeen halve Sare die Biberkopf, maar hij voert wat in het schild. Hij doet zoo schijnheilig; hij wil wat van me. Nou, geloof maar met dat ik daar invlieg. Ik zal hem wel een beentje lichten. Ollebolleke, rubisolleke olleke bolleke knol. Misschien denkt hij dat ik verantwoordelijk voor hem ben. We zijn geen invalidenverzekering. Dan moet hij opdonderen met zn ééne armen zegeltjes plakken. Reinhold lummelt in de kamer rond, en bekijkt de bloemen. Daar heb je nou die bloemetjes; de eerste van de maand krijgt ze daar twee Mark extra voor, dan kan ze er toch ook voor zorgen. Kijk toch es hoe dat er alweer uitziet. Niks dan zand. Zoo'n domme trien, zoo'n lui kreng, kan alleen geld verdonderen. Die moet ik eerst nog eens flink te grazen nemen. Eerst nog een borrel.

Dat heb ik van hem geleerd. Misschien neem ik die schoft mee, wacht maar, dat kan nog mooi worden als hij absoluut wil. Hij denkt misschien, dat ik bang voor hem ben. Kan je net denken, Fransje. K?mJna,ar. °P- Geld heeft hij niet noodig, dat maakt hij mij niet wijs. Hij krijgt genoeg van Mieze en van dien smeerlap van een Herbert, die ouwe bok. Eigenlijk zit hij midden in de drek. Waar zijn m'n schoenen? Ik trap hem z'n schenen in.

En hij lummelt door de kamer, beroert met zijn vinger de bloempotten die twee Mark kosten en niet begoten worden. Boete doen, jongen, dat is wat voor je. Bij 't Leger des Heils krijg ik hem ook bp 't zondenbankje in de Dresdenerstrasse, dat zwijn met z'n lodderoogen. Verdomde souteneur, dat beest, een beest is ie, daar zit hij vooraan en bidt en ik sta er naar te kijken. Om je dood te lachen.

En waarom ook niet? Is 't zondenbankje niet de plaats waar hij hoort? Wie zegt dat? Wat valt er op 't Leger des Heils aan te merken, hoe komt Reinhold daarbij, juist die Reinhold; waarom windt die zich op over t Leger, hij is toch zelf ook wel eens, wat zeg ik, vaak, minstens

Sluiten