Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ANTI-LAWAAI-BEWEGING.

Oppervlakkig bezien schijnt de anti-lawaaibeweging een tegenstelling te vormen tegenover het streven naar „veilig verkeer". Bij een groot deel van het publiek en ook bij sommige autoriteiten neemt het geven van signalen een voorname plaats in bij het bepalen van de schuldvraag bij een lichte of ernstige aanrijding. De voorzichtige bestuurder „dekt zich" daarom „veiligheidshalve" gaarne door het geven van signalen. Gebeurt er iets, dan luidt meestal de eerste vraag: „Hebt U signaal gegeven?" en de eerste beschuldiging: „Hij heeft geen signaal gegeven" of „Hij heeft niet getoeterd".

Men beschouwt nog maar al te vaak het signaal-geven als het kenmerk van den voorzichtigen rijder. En deze opvatting wordt -—of werd —- tenminste hier en daar ook door autoriteiten gedeeld. Zoo verkondigde eenigen tijd geleden een ambtenaar van een onzer openbare Ministeries hier te lande de stelling, dat het juister was meer lawaai dan meer ongelukken te maken.

De feiten geven echter een ander beeld. Volgens cijfermateriaal, verzameld door den commissaris C. Bakker, had tijdens een zoogenaamde stilte week, gehouden te Wiesbaden in 1932, geen enkel ernstig verkeersongeval plaats. In Parijs was het aantal doodelijke ongelukken in 1930 (dus vóór de invoering van het signaalverbod, waarop wij straks nog nader zullen terugkomen) 26; in 1931 (dus na de invoering van het signaalverbod): 17 — in 1932: 20 en in 1933: 10, waarbij alleen de ongevallen gerekend zijn, die 's nachts gebeurden, wanneer 't verboden was te claxoneeren. „Deze gegevens" -— vertelde commissaris Bakker tijdens het in 1934 gehouden eerste

Sluiten