Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoe moet een motorrijtuig op twee wielen verlicht zijn?

Hoe sterk moet de verlichting van een motorrijtuig zijn?

Wanneer mag men geen verblindend licht voeren?

Wanneer is geen verlichting noodig?

moet zijn aangebracht, die achterwaarts een rood licht uitstraalt en aangebracht niet hooger dan 1.25 m. boven het wegdek en niet meer dan 0.50 m. verwijderd van het meest naar links uitstekende gedeelte van het motorrijtuig.

Van die lantaarns mogen de zijglazen niet een gekleurd licht uitstralen. Een motorrijtuig op twee wielen moet aan de voorzijde voorzien zijn van tenminste één lantaarn, die voorwaarts een helder wit licht uitstraalt en aan de achterzijde, van een lantaarn, die achterwaarts een rood licht uitstraalt. Hier is — sinds 1934 — een reflector dus niet meer voldoende!

Rijdt men met een motorrijtuig over een weg buiten bebouwde kommen met een snelheid van 20—40 k.m., dan moet deze weg tenminste 25 m., bij een snelheid boven de 40 k.m., tenminste 100 m. vóór het motorrijtuig verlicht zijn.

Men mag geen verblindende verlichting voeren:

a. indien men binnen bebouwde kommen van de gemeente rijdt.

b. indien men stilstaat.

c. indien men een ander motorrijtuig, rijwiel, een ander rij- of voertuig, of een rij- of trekdier of vee tegenkomt, vanaf het oogenblik, dat de tegenligger op 100 m. genaderd is, tot het oogenblik waarop een ontmoeting plaats heeft.

Slechts in enkele gevallen bestaan er uitzonderingen op het voeren van een behoorlijke verlichting.

Zoo behoeven in enkele gemeenten van ons

Sluiten