Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZWAAR MOTORVRACHTVERKEER.

Bij de opkomst van het verkeer langs den weg in algemeenen zin spreekt het zeker wel van zelf, dat pogingen tot het doen vervoeren van goederen door middel van voertuigen over den weg niet zouden uitblijven.

Ook spreekt het welhaast van zelf, dat het vervoer van goederen langs den weg zich op den duur niet alleen zou beperken tot het vervoer van één enkel of van enkele pakketten, doch dat vrachtvervoerders, hun bedrijf vanuit economisch standpunt bekijkende, ertoe zouden komen te trachten bij eiken rit van het door hen in hun bedrijf gebezigd vracht-voertuig een zoo groot mogelijk aantal pakketten (of zendingen) mede te voeren.

Het resultaat hiervan was weder, dat fabrikanten van en handelaren in vracht-voertuigen trachtten het laadvermogen van de door hen in den handel gebrachte vracht-voertuigen te vergrooten. Dit kon geschieden door de laadruimte te vergrooten; zulks beteekende echter, dat de constructie van het voertuig verzwaard en dat de trekkracht grooter moest worden.

In vroegere tijden werden eenvoudig meer paarden voor het voertuig aangespannen.

Bij de opkomst van het motorrijtuig werd dezelfde werkwijze in toepassing gebracht, toen werden namelijk ook meer paarden ingespannen, d.w.z. men paste een motor toe, welke in staat was meer paardekracht te ontwikkelen.

In het kort kan dus worden vastgesteld, dat al naar mate het vrachtverkeer op den weg toenam, dit gepaard ging met: 1* Vergrooting van het motorvermogen van het voertuig,

2. Een zeer belangrijke verzwaring van de constructie der vrachtvoertuigen, en

3. Een eveneens zeer belangrijke vergrooting van het laadvlak der vracht-voertuigen.

Het is daarom zeer begrijpelijk, dat de wetgever, ten behoeve van de rechten der wegbeheerders, weldra naar middelen zocht teneinde:

a. de vroegtijdige vernieling der wegen te voorkomen t.g.v. het vervoer van te zware lasten door middel van motorrijtuigen, en

Sluiten