Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan natuurlijk door geen zinnig mens ontkend worden. Het is een strijd om de macht, waarbij de bezitsfactor van overwegende betekenis is, omdat alle macht, wil ze van enige duur zijn, alleen met behulp van materiële productie kan worden uitgeoefend Men kan leven van roof, doch dan moet er iets te roven zijn, en dan moeten er dus groepen zijn, die produceren en beroofd worden. Houdt dat op, dan sterven rovers en beroofden. Men kan mensen tot arbeid dwingen door ze in een toestand van slavernij te brengen, maar ook in dat geval is de productie der slaven onmisbaar voor het leven der heren. Zonder productie geen leven, en zonder productie, die een zekere hoogte bereikt heeft, geen maatschappij, geen politiek, geen cultuur. Het is de onvergankelijke eer van Marx, dat hij op de onverbrekeüjke verbinding tussen de „vergeestelijkte” mens en deze aardse „materiële” dingen de nadruk gelegd heeft en daardoor een voortdurende contróle op alle fantasterij heeft gegeven. Deze algemene grondgedachte van het „historisch-materialisme” moet behouden worden. De fout begint pas, bij Marx zowel als bij de epigonen, zodra men een gesloten (en dan liefst nog „dialectsch”!) systeem ervan wil maken. Maar strijd om het bestaan, strijd om het voedsel en strijd om de macht zijn niet te scheiden in hun allereerste oorsprongen en stadia; doch wel degelijk naarmate we verder van die natuurtoestanden verwijderd raken. Want de gehele geschiedenis der mensheid, is niets anders dan het steeds toenemen van alles, wat buiten het naakte bestaan en het voedsel valt.

De „cultuur is in haar oorsprong ongetwijfeld overbodigheid, luxe, overdaad, overvloeiend machtsgevoel, maar die overdaad is voor ons niet alleen hoofdzaak, doch ook noodzaak geworden; zonder haar verliest het leven, dat in wezen zinneloos is, de zin, die wij het gegeven hebben. En een zinneloos leven kunnen wij niet uithouden, nu we er ons eenmaal van bewust zijn, dat het leven geen andere zin heeft, dan deze: dat we het een zin geven, die de half-bewusten „God” en de bewusten „cultuur” noemen. Zo is dan de betekenis van de wil tot de macht, terwille van de mogelijkheden die de machtspositie biedt, mogelijkheden tot bevrediging van door de cultuur gewijzigde natuurgevoelens (ook de blonde bloedhelden van het Duitse fascisme, die hun machtsposities gebruikten om naar hartelust te kunnen drinken, dobbelen en coïteren, deden dit op een wijze, die ingewikkelder was dan de natuurlijke behoeftenbevrediging en die dus cultuur, neo-

Sluiten