Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vraag, of niet datgene, wat de z.g. tests ons aantonen een resultante is van aanleg, omgeving, opvoeding en door de maatschappelijke positie bepaalde kansen van slagen, wordt door de orthodoxe eugenisten nu eenmaal niet gesteld. Toch moet zelfs een bioloog als Alexis Carrel, wiens voorliefde uitgaat naar het conservatieve en reactionaire en die in z’n boek „De onbekende mensch” in het algemeen op het standpunt staat, dat de thans heersende groepen ook de biologisch betere zijn, tot de erkenning komen, dat „de capaciteiten van den geest virtueel blijven bij afwezigheid van opvoeding en onderwijs en van een omgeving, die het stempel draagt van het intellectuele, morele, aesthetische en religieuse beschavingspeil van onze voorouders ... Indien het maatschappelijke milieu middelmatig is, blijven intellect en moreel gevoel achter in ontwikkeling. Deze capaciteiten kunnen ook geheel worden bedorven door een slecht milieu” (blz. 159). En even verder zegt hij van dat milieu: „Verantwoordelijkheidsgevoel ontbreekt ten eenen male. Zij, die goed en kwaad weten te onderscheiden, ijverig en spaarzaam zijn, blijven arm en worden als idioten beschouwd ... Kunstenaars en mannen van wetenschap bedélen de gemeenschap met schoonheid, gezondheid en voorspoed. Zij leven en sterven in armoede. Rovers en deugnieten genieten hun rijkdommen ongestoord” (blz. 161).

Het milieu, dat hij hier schetst, is dat van de Verenigde Staten en van Frankrijk — en natuurlijk ook van alle andere moderne staten —waarin nog altijd de macht en de leiding der maatschappij bij de bezitters berust en waarin het bezit de regulator bij uitnemendheid is. Hij moet dan ook, ondanks zijn voorliefde voor de oude en befaamde families, erkennen: Stoutmoedigheid en kracht kunnen plotseling opduiken in families, waarin men die eigenschappen nooit te voren heeft waargenomen. Mutaties kunnen ook bij den mensch voorkomen, evengoed als bij dieren en planten” (blz. 297).

En ofschoon Carrel niet minder dan Stoddard de „ondermens” verafschuwt en vreest, moet hij toch stelling nemen tegen de methode van standaardiseren en hij ontkent, dat de moderne psychologie met haar indelingen tot werkelijke onderscheidingen komt: „De tests, die onervaren psychologen op schoolkinderen en studenten hebben toegepast, hebben niet veel waarde”. (247). De zaak is, dat over de „ondermens” alleen rustig gesproken kan worden, als men niet tot iedere prijs bestaande voorrechten wil

Sluiten