Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

generatie had het wèl behoren te doen, al deed ze het niet. Want toen, in de kwart-eeuw voor de wereldoorlog, was de democratie in zover gerealiseerd, dat men het leven der democratische kon gaan beschouwen. En daar zag men dan die lege middelmatigheid en tevredenheid, waar we het reeds over hadden, met die dorst naar vulgaire prikkels en sensaties. De massa zonder idealen, die inderdaad alleen maar aan „brood en spelen” denkt, waarbij de spelen dan nog liefst erg opwindend moeten zijn. Inderdaad, in plaats van cultuur komen hier de spelen, en het is te begrijpen, dat een dergelijke wereld met zijn protserige grofheid, zijn geld-heerschappij, zijn stompzinnige krachtpatserij aan de top en zijn vadsige tevredenheid, schreeuwerige opgewondenheid of lege genotzoekerij bij de grote massa — zoals men dat het

scherpst kon waarnemen in het Duitsland van Wilhelm II de

beste tijdgenoten tegen de borst moest stuiten.

De gemiddelde sociaal-democraat of democraat zag alleen het bederf aan de top, zonder oog te hebben voor de gevaren en onsmakelijkheden van de massa. De gemiddelde patriot en intellectueel bemerkte alleen, dat de massa niet meer vatbaar bleek te zijn voor de traditionele idealen en dat de idealen, die ze wèl had, van een pover soort waren. Maar het kwam niet bij hem op, na te gaan, of de traditionele idealen nog houdbaar waren en nog minder om te onderzoeken, of men aan de top wel volgens die of volgens andere idealen leefde, of misschien zelfs zonder idealen! Als er critiek was, dan hield ze toch bijna altijd op, vóór ze de kern der dingen geraakt had. De een of andere mythe gold bijna altijd als onaantastbaar. Als men in Frankrijk de „Republiek der Kameraden” — d.w.z. der baantjesgasten en baantjes-uitdelers — hoonde, dan gebeurde dat bijna altijd ten behoeve van een monarchisme en een clericalisme, die nagenoeg geen enkele van de vele deugden bezaten, die door dwangvoorstellingen bevangen litteraten hun toeschreven. De mythe van de monarchie bij de een, van de producenten bij de ander, van de handarbeiders bij een derde, van het irrationalisme bij wéér een groep, dit alles blijkt bij nader onderzoek — we komen hier nog op terug — altijd op een punt gelijksoortig: in de behoefte, voor iedere oude illusie, die men verstoort, een andere (vaak nog oudere) in de plaats te stellen. De eenzijdigheid en de blindheid voor hele complexen verschijnselen zijn kenmerkend, zowel voor Maurras en Daudet, de royalisten, voor Jaurès en Sembat, de democraten, voor

Sluiten