Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sche is niet, zoals gewoonlijk wordt aangegeven, dat tussen plebejer en aristocraat, doch dat tussen de dogmatische enge, tegen de ideologie schuimbekkende.. . ideoloog, en de vrijgeestige, sceptische, maar energieke psycholoog — een psycholoog, die eigenlijk reeds een politicus is, voorzover een op zichzelf staand mens politicus kan zijn.

En als we over Nietzsche als over een „politicus” spreken, wordt het duidelijk, waarom wij hem zo belangrijk vinden, nl. niet alleen omdat hij de nadruk heeft gelegd op de betekenis van het individu, doch om de inhoud van het individu vooral, om de nieuwe persoonlijkheid die hij zijn tijdgenoten en het nageslacht ten voorbeeld heeft gesteld.

Die nieuwe persoonlijkheid is niet de „oppermens”, dat door „Zarathustra” bezongen romantische droomvisioen. Zowel de „Uebermensch” als de „eeuwige wederkeer” zijn tenslotte producten van onmacht; ze zijn de uitdrukking van een vlucht uit de realiteit. Ze zijn dus Nietzsche’s „religie”, die hij nodig had om niet te bezwijken aan de maatschappij, waarin hij leefde en die hij, als individu wien het maatschappelijk mechanisme vreemd was, niet kon veranderen. Hij kon zelfs het probleem van de verandering der maatschappij niet stellen en hij werd dus wel gedongen een trancendentale oplossing te zoeken, die hem trouwens al evenmin een uitweg heeft gegeven.

De werkelijke Nietzsche echter, die men in de critische geschriften vindt, en die in „Menschliches Allzumenschliches” voor het eerst volledig naar voren treedt, is de schepper van een nieuw type mens, de ondogmatische, ook de wetenschap niet tot geloof „verheffende” (en daardoor verknoeiende) mens. Niet alleen de religieuze en theologische mythe verwerpt hij, maar ook de positivistische, mechanistische en naturalistische mythe vinden geen genade in zijn ogen. Hij kent zowel de beperktheid als de natuurgebondenheid van de „rede” en hij vervalt dus niet in de dwaling van die beperkte wetenschapsmensen, die ons een rationalistische theologie zouden willen opdringen. Dat men hem daarom weer bij de irrationalisten heeft willen indelen en hem een aanbidding van „het leven” of de „levenskracht” heeft willen toeschrijven, waardoor hij zich opnieuw in het religieuze kamp geschaard zou hebben, bewijst alleen de bekrompenheid der traditionele mensen, die zich geen ander type kunnen voorstellen dan dat van de „gelovende” mens, die óf de „wetenschap” óf de „godheid” zou moe-

Sluiten