Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan toe kan voegen. Bij het fascisme, zo redeneert de gemiddelde man, houdt men wat men heeft, terwijl er nog kans bestaat er iets bij te krijgen. Bij het socialisme begint men met alles aan de gemeenschap te geven en dan moet men verder maar afwachten. Dat risico is te groot. Vandaar dat het „revolutionnaire’ ’ socialisme nooit ergens anders aanhang vindt dan onder de volmaakt bezitlozen (de paupers) en onder de idealistische of eerzuchtige (tot speculaties bereid zijnde) intellectuelen. Het reformistische socialisme daarentegen, dat ook van het bestaande wil uitgaan om het te hervormen, wint een grote aanhang, zowel onder de arbeiders als de middengroepen, doch het is tegenover het fascisme in het nadeel, door z'n proletarische accent, door z’n platte, maag- en kudde-achtige wereldbeschouwing en door z’n gebrek aan energie.

Dat het fascisme niet bereid is de kapitalistische economische orde te handhaven en dat het niet bevreesd is de kapitalisten aan te tasten, dat bleek nadat Mussolini zijn macht gevestigd had. Men kan natuurlijk, zoals bijna alle socialisten doen, het Corporatief-systeem als een bedriegelijke gevel beschouwen, die de kapitalistische werkplaats aan het oog onttrekt, en men kan de Italiaanse „Carta del Lavoro” als een verzameling frazen afdoen.*) Maar in werkelijkheid betekent het verenigen van arbeiders en ondernemers in één organisatie, met staats-vertegenwoordigers als derde en beslissende factor, een volkomen staatsoverheersing, niet alleen omdat de arbeidersvertegenwoordigers, door de wijze waarop de vakverenigingen functionneren, ook reeds staatsvertegenwoordigers zijn, maar omdat bij alle geschillen de beslissing in handen van de Staat ligt. In de beginperiode, toen de Staat nog zwak was, heeft men van fascistische zijde wel eens de stakingen der arbeidersorganisaties gebruikt om onwillige ondernemers te dwingen (b.v. in 1925 in de metaalindustrie) maar na de vestiging van het onaantastbare gezag, zijn zulke dingen niet meer nodig. De Staat spreekt, en arbeiders zowel als ondernemers gehoorzamen.

De „Carta del Lavoro” proclameert de arbeid als een sociale plicht, niet slechts de persoonlijke welvaart ten doel hebbend, doch ook de versterking van de staatsmacht (Art. II). En alletwee, arbeiders en bezitters, zijn in de overeenkomsten die zij tot stand

x) In hoever het „corporatisme” inderdaad fraseologie is, bespreken we nog in hoofdstuk VII „Mythe of Inspiratie".

Sluiten