Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het Duitsland van Frederik de Grote overheerste de scheppende veldheer, die tegelijkertijd staatsman en cultuurmens was. In het Duitsland van Bismarck en Moltke was reeds een verdeling tot stand gekomen; en slechts met grote moeite en lang niet altijd, kon Bismarck, die in z’n beste ogenblikken een scheppend staatsman was, zich handhaven tegen Moltke, die al geen veldheer meer, doch alleen nog maar een voortreffelijk officier was.

De officier heerste; en de officier beheerst de gehele Wilhelminische periode. De cultuur was reeds verdwenen. Ze heeft, na 1848, in Duitsland slechts een zeer lange doodsstrijd gevoerd, ze heeft zich in litteraire, filosofische, muzikale en andere kringetjes gehandhaafd, ze trachtte zich te verdedigen en soms zelfs tot de aanval over te gaan, maar ze had geen heersende en zelfs geen werkelijk geeerbiedigde positie in een land, waar een reserveluitenant meer was dan een denker of een dichter, en een gardeluitenant meer dan Rilke, Mahler en Max Weber samen. »)

De Duitse geschiedenis sedert de vrede van Westfalen, dus sedert bijna drie eeuwen, is de geschiedenis van een chaos, die geordend wordt door een militaire staat: Pruisen. Pruisen is, zoals reeds Mirabeau zag, een leger dat zich van een staat voorzien heeft, zoals een mens zich van een huis voorziet. Ten behoeve van het leger leefde het volk, ten behoeve van het leger functioneerde de staat. Als het leger dit nodig had, werden fabrieken gebouwd, een industrie geschapen, spoorwegen aangelegd, volksonderwijs en sociale verzekeringen ingesteld, universiteiten geopend en ook een weinig aan „cultuur” gedaan. Die cultuur, waarover Hugo Ball in z’n, blijkbaar ongeveer vergeten, boek „Zur Kritik der deutschen Intelligenz” al het essentiële gezegd heeft, bestond uit verheerlijking van de Staat, van het staatsgezag, van de staatsgodsdienst, van het „germaanse” staatsvolk, z’n heldhaftigheid, z n zin voor orde en tucht, z’n soberheid en al z’n verdere soldaten-deugden.

De eigenlijke Duitse cultuur groeide los van die staat, hetzij buiten haar grenzen in kleine zelfstandige staatjes (Weimar), hetzij binnen haar grenzen in het milieu der uit-militair-oogpunt

l) Als Möller van den Bruck („Das dritte Reich”, blz. 111) z’n verachting voor Frankrijk wil uitdrukken, zegt hij: „Der Höfling beugte sich vor dem Literaten. Der Offizier galt nichts neben einem Akademiker”.

Sluiten