Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van een kosmos, die we zouden willen beheersen en die we zouden willen zien functionneren in overeenstemming met onze eigen gevoels- en gedachtenwereld.

Deze erkenning nu blijkt buitengewoon moeilijk te zijn. Gemakkelijk is het, leven en wereld zonder meer te aanvaarden en als het ware van incident tot incident te leven, zonder enige behoefte te hebben die incidenten met elkaar te verbinden. Doch zodra deze trap van onbewustheid of van incidentele bewustheden overschreden is, en het inzicht in het menselijk kunnen, in onze macht en onze waardigheid, die daarop is gebaseerd, gaat ontwaken, blijkt het bijna onmogelijk om te erkennen, dat de mens slechts een brug is tussen de onbewustheid en het niet-weten.

Dat is in zekere zin ons grootste geluk, want de vitale krachten

büjken ons te dwingen tot een voortdurende onbevredigdheid, tot

een voortdurend pogen om ons rijk, het rijk van de rede, te vergroten en om nieuwe gebieden op het onbekende te veroveren. Het belet ons, tevreden en verzadigd in te sluimeren en onze werkzaamheden als voltooid te beschouwen. Het geeft ons de illusie: eens zullen wij weten. En zonder die illusie zouden de meeste denkers en werkers niet kunnen denken en werken.

Maar het is een illusie, en slechts heel weinigen kunnen het verdragen dè.t te erkennen. Bijna altijd gaan we er toe over die illusie te negéren, haar illusionair karakter te ontkennen en te vergeten. En meer nog: bij wijze van voorschot op wat we nooit zullen bezitten, op wat de spanning van het leven ons dwingt te willen bezitten, gaan wij het onbekende construeren als een verlenging, een reusachtige projectie van de uiterste grenzen van het bekende, zodat we een „geheel”, een gesloten bouw, een harmonisch wereldbeeld, een voltooide levensbeschouwing verkrijgen (d.w.z. menen te hebben verkregen).

Zo ontstaat dan de zin van het leven en van het heelal. Zo ontstaan, als we bescheiden genoeg zijn om te erkennen, dat een dergelijk wereldbeeld bovenmenselijke capaciteiten zou vereisen, de geloven, die zeggen, dat dit alles wel van Goddelijke aard zou moeten zijn, maar... dat God het ons dan toch maar heeft geopenbaard...

We zijn hier op het terrein, dat aan de uiterste grenzen van ons weten, ons kunnen, onze macht ligt, maar waar de vitale krachten geen halt willen houden, waar ze ons voorwaarts drijven en ons, als de uitgeputte reiziger in de woestijn, palmen en bronnen,

Sluiten