Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is de omgeving van die meneer, d.w.z. „het volk”, het eveneens. Dat de hogere intellectuelen wel eens arm zijn, dat de lagere, de half- en kwart-intellectuelen bijna altijd „kaal” zijn, dat doet aan het prestige van de hele groep weinig af. Maar een heel andere toestand ontstaat, als, niet meer bij wijze van uitzondering, maar als voor de meerderheid geldende regel, armoede en duidelijk zichtbaar gebrek onder de hogere intellectuelen voorkomen, en als de kleinere en kleinste „hoofdarbeiders” inplaats van „kaal” werkelijk armoedig zijn. Zulke toestanden, zoals ze tengevolge van inflatie, werkloosheid, economische crisis, normaal kunnen worden, verminderen niet alleen het prestige der groep, ze tasten het gehele bestaan van de groep aan, zowel in fysieke als in geestelijke zin.

Hoe kan men de „demo-liberale” wereld, van wier beginselen men zich, als groep en individueel, de drager voelde, langer verdedigen, als ze niet langer in staat blijkt haar beste aanhangers het bescheiden bestaan te geven, dat zij vroegen?

De voor de hand liggende gedachte, dat er iets aan het mechanisme dier wereld moet mankéren, komt in werkelijkheid slechts bij weinigen op. Men ondergaat de toestand als catastrofaal, en in zulke gevallen bewaren slechts enkelen de evenwichtigheid, nodig om te zien, dat men het stuur in handen zou kunnen nemen en het voertuig uit de gevaarlijke zóne zou kunnen brengen. De massa — ook de intellectuelen als groep zijn massa — geraakt in een paniekstemming; het „stelsel” deugt niet meer, men moet verbranden wat men tot dusver aangebeden, en aanbidden wat men tot dusver verbrand had. Niet wat in werkelijkheid het radicaalste is, n.1. de koers-verandering, maar wat het radicaalste schijnt, n.1. het uit de auto springen, het aanvaarden van een geheel andere wereldbeschouwing, van het fascisme, blijkt in zo’n paniekstemming de normale geestesgesteldheid te zijn. Daar komt dan nog iets anders bij. Terwijl de intellectuelen als groep geen organisaties bezitten, die het verwerven en verdedigen van materiële welstand waarborgen, hebben de arbeiders een zeer uitgebreid stelsel van verzekeringen en waarborgen, waardoor ze ook in crisistijden veel van het verkregene kunnen handhaven. Zo wordt de positie der intellectuelen in verhouding tot die der arbeiders slechter. De arbeiders schijnen zich meester te maken van een onevenredig groot gedeelte van het volksinkomen. En als die arbeiders door hun organisaties ook op het politieke terrein

Sluiten